logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

Als Janus tussen armoede en cultuur. Multi-method onderzoek naar de pijlers van sociaal-artistieke projecten vanuit een armoedebestrijdingsperspectief

woensdag, 26 april, 2006 - 16:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Psychology and Educational Sciences
D
2.01
Marie Van Looveren
doctoraatsverdediging

Armoede bestrijden door het bevorderen van deelname aan cultuur ligt niet
meteen voor de hand. En toch is het precies vanuit die bedoeling dat de
sociaal-artistieke projecten ontstaan zijn. Sociaal-artistieke projecten waren
een antwoord op de verzuchtingen van armen in ‘hun’ Algemeen Verslag over
de Armoede dat culturele uitsluiting misschien wel erger is dan economische
uitsluiting omdat het hen raakt in hun ‘zijn’ en niet alleen in hun ‘hebben’.
Welke rol cultuur in de armoedebestrijding precies kan spelen, bleef erg vaag.
Vanuit de hypothese dat sociaal-artistieke projecten bijdragen tot de
armoedebestrijding door de opbouw van sociaal en cultureel kapitaal, hebben
we ons onderzoek opgebouwd.

De grote sprongen die gemaakt zijn m.b.t. de ondersteuning van de werkvorm,
van een projectoproep van de Koning Boudewijnstichting via een
experimenteel reglement van het ministerie van cultuur naar het
kunstendecreet, maakte het noodzakelijk dat ook aandacht werd besteed aan de
vraag naar de eigenheid van de sociaal-artistieke projecten.
Sociaal-artistieke projecten worden op basis van interviews met
projectorganisatoren omschreven als: artistieke projecten met een dubbele
sociale betekenis. De eerste sociale dimensie omvat het gegeven dat er vanuit
en met een groep gewerkt wordt. De tweede sociale dimensie verwijst naar de
bijzondere aandacht die besteed wordt aan groepen en individuen in een
situatie van sociale uitsluiting.

Dat er sociaal kapitaal wordt opgebouwd binnen de sociaal-artistieke projecten
ligt vanuit de theorie voor de hand. Het zich verenigingen is immers een
belangrijk instrument om sociaal kapitaal op te bouwen. Deze veronderstelling
werd via gestructureerde vragenlijsten geëxploreerd maar kan in ons
onderzoek niet bevestigd worden. Enerzijds zijn er duidelijke verschillen
tussen deelnemers en niet-deelnemers aan sociaal-artistieke projecten op zowel
structurele als cognitieve indicatoren van sociaal kapitaal. Anderzijds wijst
onder andere een clusteranalyse erop dat de sociaal-artistieke projecten eerder
een zeker ‘elite’ binnen de armen bereiken die sowieso al over meer sociaal
kapitaal beschikken. Bijkomend onderzoek is noodzakelijk om deze piste
verder uit te klaren en gedetailleerder na te gaan of deelname aan de projecten
een oorzaak is of eerder een gevolg van het beschikken over meer sociaal
kapitaal.

De opbouw van cultureel kapitaal in de Bourdieuiaanse betekenis van het
woord ligt minder voor de hand. Het concept hangt immers nauw samen met
de dominante cultuur terwijl de sociaal-artistieke projecten net werken met en
vanuit de context van de armen die ver afstaat van deze dominante cultuur.
Daarom wordt er een kader uitgewerkt waarin subculturen een plaats krijgen.
Subculturen verschillen op sommige vlakken van de dominante cultuur maar
overlappen hier ook gedeeltelijk mee. Het leven in armoede kan worden
beschouwd als een subcultuur, armen delen bepaalde cultuurpatronen met de
middenklasse, op andere verschillen ze. Sociaal-artistieke projecten kunnen
dan beschouwd worden als cultuurproductie vanuit een specifieke subculturele
context. Deze documentatie van niet-dominante culturen maakt dat er op een
structurele manier wordt bijdragen tot de armoedebestrijding. De bestaande
structuren van het culturele veld worden hier door de sociaal-artistieke
projecten doorbroken. Er worden immers culturele producten toegevoegd die
niet vanuit een dominante cultuurcontext zijn gemaakt maar vanuit de
subculturele context van het leven in armoede.

Bijlage: 
PDF icon 200604261a.pdf