logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

Orale kenmerken in Lucretius’ ‘De rerum natura’. Een literair-historische en taalkundige benadering van de modus- en genreproblematiek

vrijdag, 20 oktober, 2006 - 14:30
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Arts and Philosophy
D
2.01
Aline Pierrard
doctoraatsverdediging

De overkoepelende onderzoeksvraag die aan de basis van mijn verhandeling ligt, is de literair-historische status en de intertekstuele identiteit van Lucretius’ De rerum natura als tekst, zowel in termen van de problematiek van oraliteit en literariteit als in termen van de genreproblematiek. Op grond van sociohistorisch onderzoek zijn we uitgegaan van de hypothese dat DRN een voorbeeld is van écriture orale, d.w.z. een tekst die essentieel gericht is op orale performance en waarvan verschillende etappes in het productie- en receptieproces orale componenten moeten vertoond hebben.

Ex hypothesi hebben we voor een aantal excerpten uit DRN drie kenmerken onder de loep genomen die typisch worden geacht voor de ‘orale’ modus en ‘orale’ literatuur. Deze kenmerken zijn meer bepaald (1) de segmentering van gesproken discours in intonatie-eenheden, (2) formulariteit en (3) de aard van de referenten in het discours en de manier waarop de referenten ‘geëvoceerd’ worden. We hebben deze drie aspecten onderzocht enerzijds op grond van de literair-historische en literair-theoretische traditie en anderzijds op grond van taalkundige literatuur (voornamelijk discourse-analysis en cognitieve linguïstiek).

De modusproblematiek wordt doorkruist door een andere belangrijke kwestie, nl. het genre van een tekst. De tekst van Lucretius wordt traditioneel onder de noemer van de didactische poëzie geplaatst. Het meest kenmerkende element van de didactische discursieve scène is een ‘persona doctoris’ die een materie onderwijst aan een ‘persona discipuli’. We hebben DRN vergeleken met zowel antieke als hedendaagse teksten die in meer of mindere mate inhoudelijk en/of formeel verwant zijn, b.v. Seneca’s Epistulae Morales en Naturales Quaestiones, Plinius’ Naturalis Historia, wetenschappelijke publicaties, een didactische website enz. Ook andere teksten waarmee DRN intertekstuele relaties onderhoudt, werden bij onze analyses betrokken, b.v. het narratieve epos, epistolair proza, carmina epigraphica, ... . Deze verschillende intertekstuele relaties staan ons toe literaire genres niet zozeer op te vatten als statische en rigide categorieën, maar eerder als een kruispunt van heterogene discursieve praktijken.

Uit het onderzoek van de drie bovenvermelde kenmerken hebben we een aantal bevindingen kunnen maken, die we hier in nuce zullen omschrijven.

- Een belangrijke vaststelling is dat de zgn. orale kenmerken niet beperkt blijven tot orale poëzie of andersoortig oraal discours, maar ook optreden in typisch ‘schriftelijke’ teksten. DRN vertoont b.v. qua enuntiatieve situatie en evocatie van referenten de grootste affiniteit met het discours van een educatieve website (een qua medium schriftelijke tekst). Een antieke tekst zoals Plinius’ Naturalis Historia vertoont qua vorm dan weer relatief weinig overeenkomsten met DRN en maakt stricto sensu geen deel uit van het didactische genre. Het genre van de tekst komt dus als een meer beslissende factor naar voren voor de evocatie van een discursieve scène dan de modus.

- De benadering van DRN als oraal discours bestemd voor een live-performance heeft belangrijke implicaties voor de interpretatie en de vertaling van deze tekst. De segmentering van de tekst in intonatie-eenheden resulteert in een vertaling die rekening houdt met de wetmatigheden van ‘natuurlijke’ gesproken taal en die communicatief veel efficiënter is dan de grammaticale schoolse vertaling. Ook de vertolking van de Latijnse tekst wordt door de gehanteerde discoursmatige segmentering op het eerste gehoor verstaanbaar, in tegenstelling tot de traditionele scansie van de tekst die voortvloeit uit een strikt metrische segmentering.

- Een probleemstelling die in de literair-historische traditie reeds een lange voorgeschiedenis kent (in de Parry-aanse traditie die zich voornamelijk toespitst op de Homerische epen), nl. het formule-onderzoek, wordt door de toepassing van taalkundige analyses in een nieuw daglicht geplaatst. Formulariteit blijft niet beperkt tot een ‘orale’ epische traditie, maar is een kenmerk eigen aan gesproken en geschreven taalgebruik in het algemeen. Sommige formules kunnen wel genre-of contextgebonden zijn en eerder beperkt blijven tot b.v. de epische of episch-didactische traditie, maar andere hebben zeer ruime intertekstuele relaties die soms zelfs de ganse Latiniteit omvatten, b.v. bepaalde conversationele routines, formulaire wendingen met een structurerende werking enz.