logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

Board-manager and manager-employees relations in nonprofit organizations: an agency theoretic approach to the selection of nonprofit staff

maandag, 8 januari, 2007 - 17:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Social Sciences and Solvay Business School
D
2.01
Ralf Caers
doctoraatsverdediging

Met het toenemende belang van de nonprofit sector is er de
voorbije decennia een stijgende aandacht ontstaan voor de
ontstaansredenen van nonprofit organisaties (npos), voor
hun gedrag en voor hun doelstellingen, zowel vanuit een
empirische als theoretische invalshoek. Recent ontwikkelde
zich ook een hoge interesse in de motieven van betaalde
krachten en vrijwilligers die actief zijn in de nonprofit
sector. Een goed begrip van deze motieven en hoe deze
overeenkomen met de doelstellingen van de organisatie is
een belangrijke factor in het verklaren van het gedrag van
npos. Het doel van deze doctoraatsverhandeling is dan ook
om het gedrag van nonprofit managers en werknemers te
analyseren, en dit vanuit een theoretische invalshoek.

De verhandeling opent met een literatuuroverzicht. Dit
presenteert de twee voornaamste theoretische kaders voor
het beschrijven van het gedrag en de interactie van
nonprofit werknemers (agency en stewardship theory),
herpositioneert het laatste en verzamelt literatuur omtrent
de twee interne principaal-agent relaties (tussen de Raad
van Bestuur en het management en tussen het
management en de werknemers).

De bevindingen uit het literatuuroverzicht vormen de basis
voor de veronderstelling dat er mogelijk onderlinge
verschillen bestaan in de motieven van nonprofit
werknemers. Vier opeenvolgende modellen bestuderen het
gedrag van diverse types managers en ondergeschikten op
basis van een nutsfunctie met drie componenten: eigen,
organisatorische en cliëntgebonden doelstellingen. Het
eerste model beschrijft een organisatie met een Raad van
Bestuur en één werknemer die beslist over de behandeling
van één cliënt. Dit model is continu en de bevindingen
worden wiskundig afgeleid.

De drie volgende modellen breiden het eerste steeds verder
uit. Ze zijn discreet en worden numeriek opgelost. In het
meest uitgebreide model wordt een organisatie bestudeerd
met één Raad van Bestuur, één manager, één, twee of drie
werknemers en twaalf cliënten en worden 523 miljard
mogelijke tijdsverdelingen van werknemers bestudeerd.

De verhandeling toont onder meer aan dat ook personen
die tewerkstelling in een nonprofit organisatie verkiezen
omwille van egoïstische motieven (doelstellingen die niet
door de organisatie of de cliënten worden nagestreefd)
goede managers of werknemers kunnen zijn. Een hoge
organisatorische toewijding is belangrijk maar niet altijd
voldoende en ook niet steeds nodig. Ook een hoge
toewijding naar het welstellen van de cliënten maakt niet
altijd een goede werknemer. De analyses strekken zich
verder uit naar het nut van het specialiseren van de
organisatorische middelen, van organisatorische socialisatie
en van verschillende werkdrukniveaus. Tot slot toont deze
doctoraatsverhandeling aan dat managers voorzichtig
dienen te zijn met zogenaamde similar-to-me biases (het
selecteren van werknemers die op hen lijken).