logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

Linguïstische vlotheid, accuraatheid en complexiteit in de verwerving en de verwerking van een tweede taal

vrijdag, 23 maart, 2007 - 15:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Arts and Philosophy
D
2.01
Siska Van Daele
doctoraatsverdediging

“Hoe kan vaardigheid in een tweede taal (T2) bestudeerd worden en welke invloed hebben persoonlijkheidskenmerken op T2-productie en -verwerving?”

Zowel binnen het onderzoeksdomein van de tweede taalverwerving als in de taaldidactiek wordt vaak gebruik gemaakt van de begrippen vlotheid, accuraatheid en complexiteit om de verwerving en de productie van een tweede taal te bestuderen. Hoewel deze drie dimensies van taalvaardigheid reeds op verschillende manieren bestudeerd werden, heerst er nog veel onduidelijkheid over hun precieze rol en betekenis.

De doelstelling van dit doctoraatsonderzoek was tweevoudig. In de eerste plaats werd getracht de kenmerken van linguïstische vlotheid, accuraatheid en complexiteit te definiëren en aldus een meer gedetailleerde benadering van taalvaardigheid en -verwerving te ontwikkelen. In de tweede plaats werden de dimensies vlotheid, accuraatheid en complexiteit voor het eerst verbonden aan een longitudinale empirische studie in een Vlaamse instructionele context en werden een aantal psychologische kenmerken van de taalleerder onder de loepe genomen. 25 Nederlandstalige leerlingen in de tweede graad van het Algemeen Secundair Onderwijs werden gevolgd over een periode van 1,5 jaar en hun taalleerproces in het Frans en het Engels werd gerelateerd aan de mate waarin ze over een extraverte dan wel introverte persoonlijkheid beschikten en aan de zelf-gerapporteerde angst die zij hadden om in deze talen te spreken.

Uit het onderzoek bleek dat de T2-kennis en -vaardigheid van het Engels gevoelig hoger lag en bovendien sneller evolueerde dan voor het Frans het geval was. En dit ondanks het feit dat de leerlingen bij aanvang van deze studie gemiddeld dubbel zoveel Frans onderricht genoten hadden en de leerplannen voor beide talen gelijklopen vanaf het eerste jaar secundair onderwijs. Hoewel er in beide talen vooruitgang geboekt werd op de verschillende dimensies van taalvaardigheid, was zowel de initiële kennis van als de evolutie in het Engels gemiddeld genomen dus het grootst. Voor één dimensie bleken de persoonlijkheidskenmerken van de individuele taalleerder een gelijkaardige invloed uit te oefenen op de taalproductie en –evolutie van beide talen. Introverte en taalangstige leerlingen maakten aan het begin van het onderzoek gebruik van een minder gevarieerde (complexe) woordenschat dan extraverte leerlingen en leerlingen die weinig angst hadden om een tweede taal te spreken. In beide gevallen verdween of verminderde dit persoonlijkheidseffect doorheen de tijd.