logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

Literatuur in spreidstand. Mengvormen van beschouwing en verhaal in de postmoderne Nederlandstalige roman

donderdag, 13 december, 2007 - 14:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Arts and Philosophy
D
2.01
Sofie Gielis
doctoraatsverdediging

De literatuur die in dit proefschrift aan bod komt is literatuur in spreidstand: ze staat met een been in het ene genre, met het andere been in een ander. Soms is te zien of je met een essayistisch of verhalend been te maken hebt, maar vaak zijn ze niet te ontwarren. De vraag die centraal staat in dit onderzoek is of het mogelijk is een leeshouding te ontwikkelen voor ‘literatuur in spreidstand’. Ik beperk die spreidstand tot de verhouding tussen narratieve en beschouwende teksten en zoek een houding die niet vasthoudt aan een eenzijdige lectuur vanuit de roman of vanuit het essay, maar die soepel beide domeinen combineert.

Het corpus bestaat uit teksten van vier auteurs: Gerrit Krol, Atte Jongstra, Charlotte Mutsaers en M. Februari. Hun teksten worden benaderd vanuit een leesmodel dat de narratologie aanvult met een analyse van metafictie en metaforiek.

De besproken auteurs zijn allemaal erg vormbewust. Zo heeft de vorm bij Charlotte Mutsaers steeds gevolgen voor de betekenis, is zelfbewustheid een belangrijk kenmerk van Atte Jongstra’s teksten en besteedt Gerrit Krol net als M. Februari veel aandacht aan de manier waarop de informatie in een tekst wordt georganiseerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de mengvormen van verhaal en beschouwing die hier aan bod komen zich voornamelijk concentreren op de vorm. In grote lijnen gaat het om drie mengvormen:

1) de beschouwing naast het verhaal,
2) de beschouwing in het verhaal, en
3) de beschouwing over het verhaal in de vorm.

De laatste vorm kreeg in dit onderzoek veruit de meeste aandacht omdat hij wordt blootgelegd door de ontwikkelde leesmethode: via beeldspraak en metafictie bevat de vorm van alle besproken teksten een beschouwing op hun inhoud.

Mijn proefschrift bestaat uit drie delen. Het eerste deel schetst de theoretische achtergrond van het gehanteerde leesmodel: de genretheorie, de theorieën over fictie en non-fictie, de toepassing van de structuralistische verhaalanalyse op verhalende en beschouwende teksten, en de visie van de Yale Critics.

1. Genres hechten niet in elke periode en onder alle omstandigheden evenveel belang aan dezelfde kenmerken. Bovendien evolueren niet enkel individuele genres, ook hun onderlinge verhoudingen en hiërarchie veranderen. Verschillende genretheorieën zien de introductie van nieuwe elementen in bestaande genres of de combinatie van verschillende genres als een belangrijke oorzaak van literaire evolutie. Mengvormen van beschouwing en verhaal zorgen dus voor de ontwikkeling van beide genres.

2. Doorgaans wordt fictie gelijkgesteld met narratieve fictie en non-fictie met niet-literaire teksten, terwijl dat eigenlijk drie verschillende categorieën zijn: literair,
verhalend en fictioneel. Niet enkel verhalen, ook essays kunnen elk van deze etiketten toegewezen krijgen: ze kunnen literair zijn, verhalend en zelfs fictioneel.

3. We hebben geen narratologische analyse nodig om vast te stellen dat een essay geen verhaal is, maar dat betekent niet dat mengvormen van verhaal en beschouwing of zelfs volledig beschouwende teksten geen baat kunnen hebben bij een dergelijke analyse. Deze teksten maken namelijk gebruik van gelijkaardige structuren. Lezers zoeken continuïteit. In een verhaal zoeken ze dat in de ontwikkeling van de plot, in een essay in de ontwikkeling van ideeën. Het belangrijkste verschil tussen verhalende en beschouwende teksten situeert zich op het eerste narratologische niveau, de geschiedenis. In verhalende teksten is de voortgang afhankelijk van een reeks acties die gereconstrueerd kan worden aan de hand van de chronologie; in beschouwende teksten is de voortgang afhankelijk van de logische samenhang tussen verschillende ideeën. Mengvormen van verhaal en beschouwing kunnen zowel op basis van hun acties, als op basis van hun ideeënontwikkeling geanalyseerd worden.
Essays kunnen even ingewikkelde narratologische systemen bevatten als verhalen. Hoe ingewikkelder de facetten van de narratologische analyse worden, hoe narratiever de tekst. Dat betekent niet dat een verhaal bijvoorbeeld geen simpele focalistie kan bevatten, maar wel dat een beschouwende tekst met variabele focalisatie narratiever is dan een beschouwende tekst met een onveranderlijke focalisator. Bovendien is niet het gebruik van narratologische elementen zoals een setting of ingewikkelde vertelstructuur een verhaalkenmerk, maar wel de betekenis die die elementen hebben in de tekst. Zo zullen tijdsaanduidigen in een beschouwende tekst eerder een informatieve functie hebben, in een verhalende tekst zijn ze mogelijk ook symbolisch.

4. De Yale Critics beschouwen elke vorm van taal als metataal met een per definitie metaforische structuur. De inhoud van een tekst wordt op die manier beschouwd als een metafictionele aansporing tot het onderzoeken van de vorm. Maar het systeem dat zo ontdekt wordt, wordt meteen ook tegen het licht van de deconstructie gehouden: de Yale Critics hebben steeds aandacht voor datgene wat ontsnapt aan het systeem, zowel het systeem dat de tekst oplegt als het systeem van hun eigen analyses.

De combinatie van de narratologie met de metaforiek en de metafictie vormt het kader voor elke tekstanalyse in dit proefschrift. Het werk van Atte Jongstra komt vooral aan bod in hoofdstukken twee en drie. Maar het leeuwendeel van de tekstanalyses is gewijd aan het werk van Gerrit Krol. De ontleding van zijn werk beslaat deel twee van het proefschrift. De theorie uit het eerste deel wordt hier aangevuld met andere thema’s die overeenkomsten en verschillen tussen beschouwende en verhalende teksten aan het licht brengen, zoals Krols opvattingen over ethiek, techniek en de relatie tussen waarheid en werkelijkheid. Het laatste deel toetst de bevindingen van eerdere analyses aan het werk van Charlotte Mutsaers en M. Februari. Dit zorgt voor een verruiming van de bevindingen uit de eerste twee delen en leidt naar een algemeen besluit.