logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

Patterns of Migration and Adaptation in the Urban Transition. Newcomers to Antwerp, c. 1760-1860

dinsdag, 27 maart, 2007 - 15:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Arts and Philosophy
D
2.01
Anne Winter
doctoraatsverdediging

Dit proefschrift onderzoekt het hoe en waarom van verschuivingen in patronen van migratie naar Antwerpen in de periode tussen 1760 en 1860. Doorheen deze periode veranderde de stad van een regionaal textielcentrum van ongeveer 50.000 inwoners tot een internationale havenstad van meer dan 100.000 inwoners. Tegelijk kwamen inkomensstrategieën in het rurale hinterland steeds meer onder druk te staan door processen van grondversnippering, proletarisering en verarming. In het zog van deze veranderingen nam het volume van inwijking te Antwerpen sterk toe, terwijl ook nieuwe groepen immigranten uit verder afgelegen gebieden hun weg vonden naar de zich ontwikkelende metropool. De precieze relatie tussen veranderingen in de stedelijke sociaal-economische structuur en wijzigingen in migratiepatronen vormt de centrale onderzoeksfocus van dit proefschrift. In het bijzonder staat de vraag centraal in welke mate bestaande patronen van migratie zich aanpasten aan veranderingen in de stedelijke vraag naar arbeid. Om deze vraagstelling uit te werken werd gebruikt gemaakt van een grotendeels kwantitatieve analyse op basis van een reeks representatieve steekproeven uit verschillende nominale bronnen van de stedelijke bevolkingsdienst en voorlopers, die het toestond om de kenmerken van inwijkelingen en hun verblijfspatronen doorheen de tijd in kaart te brengen. De centrale onderzoeksvraag knoopt niet alleen aan bij het hernieuwde debat omtrent de relatie tussen migratie en verstedelijking in de transitie van preïndustriële naar industriële samenleving, maar werpt ook verder licht op de rol van migratie als een individuele en huishoudelijke aanpassingsstrategie in een periode van structurele maatschappelijke verandering. In die zin beoogt deze historische casestudie ook bij te dragen tot een beter inzicht in de drijfveren, mogelijkheden en beperkingen van hedendaagse migratiebewegingen.

Over het algemeen blijken migratiepatronen zich verbazend goed te hebben aangepast aan de omvorming van de stedelijke arbeidsmarkt tussen ca. 1760 en 1860, en bleven zij gekenmerkt door een sterke selectiviteit van inwijking in functie van lokale mogelijkheden. Als expanderende havenstad bood Antwerpen gevoelig meer inkomensmogelijkheden voor zowel ongespecialiseerde plattelandsmigranten als gespecialiseerde lange-afstandsmigranten dan als regionaal textielcentrum. Terwijl nieuwkomers in het algemeen best geplaatst waren om de voordelen van de expansie van havengerelateerde werkgelegenheid te benutten, waren het echter de voornamelijk autochtone ex-textielwerkers die de zwaarste kosten droegen van de ineenstorting van de textielnijverheid. In de achttiende eeuw waren autochtone arbeiders voornamelijk in de textielsector geconcentreerd, terwijl inwijkelingen hoofdzakelijk in de dienstensector waren terug te vinden. Deze bestaande patronen van economische, culturele en sociale arbeidsmarktsegmentatie vormden een essentiële wegbereidende factor in het sturen van de ongelijke verdeling van de kosten en baten van sociale transformatie van de vroege negentiende eeuw. Omgekeerd was selectieve immigratie een noodzakelijk glijmiddel van economische transformatie, en een essentiële voorwaarde om structurele tekorten op een snel veranderende arbeidsmarkt op te vangen: de textielcrisis werd voornamelijk gedragen door de autochtone bevolking, terwijl de Antwerpse haven voornamelijk door immigranten werd uitgebouwd.

De mate waarin inwijkelingen zelf hun voordeel deden bij hun ‘geprivilegieerde’ positie levert een gemengd beeld op. Het merendeel van de nieuwe havengerelateerde jobs was bij uitstek erg onregelmatig en instabiel. Terwijl de totale werkgelegenheid toenam, nam ook het aanbod aan plattelandsmigranten sterk toe en verminderden de mogelijkheden tot permanente vestiging. Een groeiende turnover en flexibiliteit vanwege immigranten waren dan ook de keerzijde van de geobserveerde selectiviteit van inwijking. Hoewel de sterke daling in gemiddelde verblijfsduur en toenemende re-migratie voor sommigen verbonden was met reële carrièremogelijkheden, zoals in het geval van kooplui en gespecialiseerde ambachtslui, waren deze algemene trends voornamelijk een reflectie van de wisselvalligheden van een expanderende onregelmatige arbeidsmarkt. De manoeuvreerruimte van (potentiële) migranten om zich aan te passen aan veranderingen in de economische structuur van herkomst en bestemming was zowel afhankelijk van hun objectieve capaciteiten, middelen en scholingsgraad, als van de sociaal gemedieerde toegang die zij hadden tot rekruteringscircuits en informatiestromen. De eindevaluatie over de rol van deze laatste factor, met name de voor- en nadelen van sociaal ingebedde migratiecircuits, bleef erg gemengd. Migreren binnen ‘brede’ circuits die sterk waren ingebed in sociale connecties en migratietradities tussen stad en hinterland had als voordeel dat de migrant in kwestie kon terugvallen op sociale netwerken bij het zoeken naar werk of het overbruggen van tijdelijke werkloosheid. Omgekeerd waren nieuwkomers uit verdere gebieden die minder konden terugvallen op ondersteunende netwerken sneller gedwongen om de stad te verlaten in tijden van werkloosheid, wat zich weerspiegelde in een gevoelig kortere verblijfsduur. Terwijl ‘brede’ circuits de kans op langdurige vestiging verhoogden, hielden zij echter ook een beperking van alternatieve migratiestrategieën in, omdat zij meestal erg exclusief gericht waren op één bepaalde bestemming – zoals een regionale hoofdstad – en omdat de economisch kwetsbare positie van de migranten in kwestie het niet toestond zich ver buiten de vangnetten van sociale en familiale netwerken te begeven. Migranten die opereerden binnen een bredere geografische horizon en/of toegang hadden tot meer gespecialiseerde ‘dunne’ informatie- en migratiecircuits zoals handelsfirma’s, de ambtenarij of ambachtsorganisaties, hadden veel meer ruimte om verschillende migratie-opties tegenover elkaar af te wegen en een positieve keuze te maken. De mate waarin bepaalde migratiecircuits ‘geïntegreerd’ waren in en vervlochten waren met de stedelijke samenleving van bestemming was dus niet noodzakelijk een maat voor migratie-succes, maar ook of vooral een indicatie van de afwezigheid van alternatieven. Geïntegreerd zijn was met andere woorden een erg gemengde zegen, die de werkelijk succesvolle groepen, zoals buitenlandse groothandelaars, niet nodig hadden.

Wat leert de Antwerpse casestudie ons nu over de mogelijkheden en beperkingen van migratie als aanpassingsstrategie in de context van de diepgaande sociaal-economische transformaties van de hedendaagse wereld? Een eerste les is het grote belang van sociale connecties, processen en patronen: migratie is allesbehalve een puur economisch, individueel of rationeel fenomeen, maar verloopt via sociale processen en connecties die bepaalde groepen en herkomstgebieden verbinden met specifieke bestemmingen en inkomensactiviteiten. De implicatie is dat migratiepatronen zich niet in het wilde weg ontwikkelen, maar gestuurd worden door een bepaalde voorgeschiedenis, ondersteund door de positieve feedback van sociale netwerken. Daarnaast is migratie een bij uitstek heterogeen proces, dat verschillende groepen in verschillende mate van succes via specifieke circuits met bepaalde bestemmingen en jobs verbindt. De mate waarin migratiepatronen ingebed zijn in brede sociale interacties verhoogt de continuïteit van bestaande patronen, maar belemmert tegelijk de mogelijkheden tot aanpassing in tijden van structurele verandering. Over het algemeen blijft migratie echter een zeer selectief proces, dat in het beste geval enkel een specifieke groep van relatief goed uitgeruste kandidaat-migranten (en hun werkgevers) vooruit kan helpen, maar geen structurele oplossing kan bieden aan problemen van maatschappelijke transformatie. Bovendien zorgt de beperkte onderhandelingspositie van nieuwkomers ervoor dat zij zelden garen kunnen spinnen bij hun objectief ‘geprivilegieerde’ positie. Tegelijk vormt selectieve rekrutering wel een belangrijk instrument om de weerstand van bestaande maatschappelijke structuren te omzeilen bij diepgaande economische transformaties. Het is net deze ambigue positie van migranten, als tegelijk vehikels en slachtoffers van sociale verandering, die de uiteenlopende houdingen en appreciaties ten aanzien van nieuwkomers doorheen het hedendaagse politieke spectrum helpt te verklaren.