logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

The quality of physical education in Flemish Secondary Schools

dinsdag, 9 oktober, 2007 - 18:30
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Physical Education and Physiotherapy
D
2.01
Kristof Huts
doctoraatsverdediging

Maatschappelijke instellingen en structuren uit zowel de profit als de non-profit
sector zijn tegenwoordig meer en meer onderhevig aan een vorm van “kwaliteitsdenken”,
waarbij vooral de principes van “totale kwaliteitszorg” worden
gehanteerd. Dit geldt ook voor de onderwijssector waar verschillende evoluties
het belang van kwaliteitszorg en de verantwoordelijkheid van scholen en vakgroepen
m.b.t. het aanbieden van kwaliteitsvol onderwijs op de voorgrond hebben
geplaatst.

Vanuit deze context werd aan de vakgroep Sportbeleid en -Management van
de Vrije Universiteit Brussel gestart met een onderzoeksproject naar de ‘totale
kwaliteit’ van het vak lichamelijke opvoeding in Vlaamse secundaire scholen. Het
begrip ‘totale kwaliteit’ is volgens van Bottenburg en collega’s een optelsom van
vier kwaliteitsperspectieven, namelijk de maatschappelijke, de gebruikers-, de
product- en de proceskwaliteit. Kwaliteitsvolle lichamelijke opvoeding kan volgens
deze auteurs gedefinieerd worden als een vak dat op een efficiënte manier,
effectief de verwachtingen en wensen van de maatschappij en van de gebruikers
verwezenlijkt en tevens voldoet aan de door experts vastgelegde kwaliteitscriteria.
Het onderzoeksproject had als hoofddoel (i) een eerste inzicht verkrijgen in
de ‘totale kwaliteit’ van het vak lichamelijke opvoeding en (ii) een vakspecifiek
zelfevaluatie-instrument ontwikkelen om scholen, vakgroepen en leraren lichamelijke
opvoeding te helpen met hun taak van interne kwaliteitszorg.

(i) Maatschappelijke en gebruikerskwaliteit
Uit het eerste deel van het onderzoek kon worden afgeleid dat de door de onderwijsoverheid
geformuleerde vakspecifieke doelstellingen voor de lichamelijke
opvoeding grotendeels overeenkomen met de verwachtingen die de maatschappij,
de leerlingen en de leraren lichamelijke opvoeding hebben ten opzichte van
het vak. De ontwikkeling van een fitte en gezonde levensstijl wordt in deze context
als het belangrijkste domein van vakspecifieke doelstellingen beschouwd,
gevolgd door de ontwikkeling van sociale vaardigheden en de ontwikkeling van
motorische vaardigheden. De maatschappelijke en gebruikerskwaliteit van het
vak zijn echter slechts deels succesvol te noemen, daar vooral vertegenwoordigers
uit het maatschappelijke middenveld en leerlingen niet altijd even overtuigd
zijn van de werkelijke realisatie van de vooropgestelde doelstellingen. De
belangrijkste redenen voor het niet realiseren van sommige doelstellingen zijn
volgens een meerderheid van de respondenten gerelateerd aan aspecten binnen
het onderwijsproces.

(ii) Proces- en productkwaliteit
Dit gedeelte van het onderzoek is opgebouwd rond de ontwikkeling van een
geautomatiseerd vakspecifiek (zelf)evaluatie-instrument voor de lichamelijke
opvoeding. Het instrument is afgeleid van een conceptueel model voor de implementatie
van professioneel kwaliteitsmanagement binnen de jeugdopleiding van
traditionele unisportclubs en werd aangepast aan de specifieke situatie van het
vak lichamelijke opvoeding aan de hand van: (i) een uitgebreide literatuurstudie/
documentanalyse, (ii) diepte-interviews en (iii) een afsluitende werkvergadering
met leraren lichamelijke opvoeding, vakexperts, pedagogische adviseurs, onderwijsinspecteurs
en directeurs. Het resultaat is het IKLO-instrument (Integrale
Kwaliteitszorg in de Lichamelijke Opvoeding), hetwelk de professionele kenmerken
en specifieke kwaliteitsvoorwaarden van het vak lichamelijke opvoeding op
een objectieve en gestructureerde manier in kaart probeert te brengen. Het IKLOinstrument
werd vervolgens getest in een steekproef van 100 Vlaamse secundaire
scholen. Met gemiddelde scores boven 50,0% voor alle gescreende kwaliteitsdimensies
kon worden afgeleid dat de proces- en productkwaliteit van het vak lichamelijke
opvoeding in de bezochte scholen als adequaat kan worden beschouwd.
Voorzichtigheid is echter geboden bij het maken van generalisaties naar de totale
populatie van Vlaamse secundaire scholen, daar alle bezochte scholen uit vrije wil
deelnamen en scores binnen de steekproef sterk varieerden van school tot school.
Zo behaalde 66,0% van de bezochte scholen een onvoldoende op één (27,0%),
twee (18,0%) of zelfs meerdere (21,0%) van de onderzochte kwaliteitsdimensies.
Niettegenstaande deze beperkingen, voorziet de studie ons van een aantal inzichten
m.b.t. mogelijke kwaliteitstendensen binnen de lichamelijke opvoeding en dit
zowel op individueel (leraar) (vb: leraren die vaak externe nascholingen volgen),
vakgroep- (vb: formele afspraken m.b.t. lesinhoud, methodiek en/of evaluatie) als
schoolniveau (vb: functie/taakomschrijving van de leraar lichamelijke opvoeding).