logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

The Belgian Health Transition at the Dawn of the 21st Century: the Contribution of Social Factors to Inequality and Progress in Population Health

woensdag, 21 mei, 2008 - 16:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Social Sciences and Solvay Business School
D
2.01
Patrick Deboosere
doctoraatsverdediging

De levensverwachting in België is in de afgelopen eeuw vrijwel verdubbeld, een evolutie die ook de rest van de geïndustrialiseerde wereld heeft gekend. Die snelle vooruitgang in de loop van een paar generaties staat in scherp contrast met de stagnatie in levensverwachting over de tienduizenden generaties die hieraan vooraf zijn gegaan. Hoewel preciese gegevens ontbreken wordt over het algemeen aangenomen dat gemiddelde duur van een mensenleven millenia lang zowat tussen de 25 tot 30 jaar moet hebben geschommeld. Vanaf de 18de eeuw doet een geleidelijke toename in levensverwachting haar intrede in verschillende landen van West-Europa. Die stijging was in aanvang zo gering dat het nog tot het einde van de 19de eeuw zou duren voor de wetenschap er zich echt rekenschap van gaf.

Voor nobelprijswinnaar Robert Fogel is die omwenteling het bewijs dat de mens zich eindelijk in de afgelopen 300 jaar heeft ontworstelt aan de willekeur van hongersnood en vroegtijdige sterfte. Het is de synergie van technologisch gedreven productiviteitswinst en een gestadige verbetering van de menselijke fysiologie die deze omwenteling op gang heeft getrokken. Deze evolutie is ongetwijfeld biologisch van aard (niet genetisch!). De bevolking is gezonder en groter geworden wat bijdraagt tot de afgelopen productiviteitsgroei. Maar in wezen is ze cultureel overgedragen. Het is de tweeling van kennis en technologie die de mensheid tot een ongeëvenaarde controle over onze omgeving, onze biotoop heeft gebracht. En, zoals ook Samuel Preston onderstreept, het is dit koppel van kennis en technologie dat geleid heeft tot een fenomenale daling in de menselijke sterfte. Paradoxaal genoeg is dit succes ook de basis voor nieuwe uitdagingen. De vergrijzing van de bevolking is een logische uitloper van deze evolutie. De dalende sterftetrend onder ouderen sinds de jaren vijftig draagt ertoe bij dat hun relatief aandeel in de bevolking voortdurend toeneemt en dat de gemiddelde leeftijd stijgt. Dit is een proces dat zich over de gehele wereld voordoet en in wezen onvermijdelijk is naarmate de gezondheidstransitie wereldwijd succesvol wordt doorgezet. Een alternatief is er niet. Want ook de fenomale groei van de wereldbevolking in de afgelopen decennia is immers het directe gevolg van dit succesverhaal. Uiteraard is het feit dat de ecologische draagkracht van de aarde in het gedrang komt niet louter het gevolg van een numerieke explosie. De manier en de intensiteit waarop we onze natuurlijke rijkdommen aanspreken is even belangrijk. De consumptiefactor van de Belg is vele tientallen keren hoger dan die van de gemiddelde wereldburger en overigens is de ongelijkheid tussen de Belgen onderling eveneens aanzienlijk.

Die ongelijkheid zet zich overigens ook door in gezondheid en de hoge levensverwachting in België belet niet dat de verschillen naar sociaal-economische positie zeer groot blijven. De censusgegevens van 1991 gekoppeld aan de mortaliteit uit het rijksregister tonen bijvoorbeeld aan dat hoog opgeleide mannen in België een levensverwachting hebben die ruim vijf jaar hoger ligt dan bij mannen met het laagste onderwijsniveau.

De vraag is of we in België op het einde van deze gezondheidstransitie zijn aanbeland. De afgelopen evolutie heeft immers aanzienlijke implicaties. Getuige hiervan het aanhoudend vergrijzingsdebat in België en in de rest van Europa. De vergrijzingsdruk zou volgens sommigen op termijn niet alleen de openbare financiën onder druk zetten maar zelfs dermate belangrijk worden dat ook de economische en sociale draagkracht van de maatschappij wordt aangetast.

In dit proefschrift wordt de gezondheidstransitie in België op de overgang naar het nieuwe millenium bestudeerd. Op de eerste plaats willen we nagaan hoe het zit met de levensverwachting naar socio-economische positie. Is er sprake van een toename of van een afname in ongelijkheid. Die vraag koppelen we aan de meer algemene vraag: hoe staat het met de toekomstige ontwikkeling van de levensverwachting in ons land. Is er sprake van een limiet aan de normale duur van een mensenleven en zal de toekomstige groei in levensverwachting vertragen of ronduit stilvallen?

Hoog opgeleide personen vormen tot op zekere hoogte een subpopulatie die voorloopt op de algemene evolutie. Als kennis en technologie de motor vormen van de recente evolutie van de mensheid dan zijn ze uiteraard aanwezig in mensen die dragers zijn van die kennis. Formele opleiding is in die zin een graadmeter voor een meer algemene kennisevolutie. De levensverwachting van hoogopgeleiden schetst de grenzen van de levensverwachting binnen de huidige socio-economische context en gegeven de actuele stand van de biomedische wetenschap, net zoals de studie van landen met een hoge levensverwachting een indicatie geeft van toekomstige ontwikkelingstrajecten in de gezondheid van de bevolking en van de determinanten die deze bepalen.

Het vergelijkend onderzoek tussen de levensverwachting naar socio-economische positie werpt ook een licht op andere actuele vragen die met de toename in levensverwachting verband houden. Is er sprake van een toename van ouderen met chronische morbiditeiten?
Moeten we vrezen dat in de toekomst de prevalentie van ouderen met beperkingen zal toenemen? Kunnen we nog wel van een gezondheidstransitie spreken? Zijn we niet op een punt gekomen waarbij we een oude, kwetsbare bevolking in leven houden die geplaagd is met tal van chronische aandoeningen en steeds meer fysieke beperkingen? Zou de toename in levensverwachting m.a.w. niet langer een indicator zijn van een betere gezondheid?

Het onderzoek naar deze vragen is in dit proefschrift vooral gesteund op de exploitatie van een aantal nieuwe gegevens die recent beschikbaar werden en zelfs internationaal vrij uniek te noemen zijn.

De koppeling van censusgegevens van 1991 met informatie over sterfte werd nu uitgebreid tot de censusgegevens van 2001. Op die manier beschikken we over een databank die de sterfte van de bevolking naar socio-economische kenmerken opvolgt over de periode van 1991 tot 2004. Deze uitbreiding laat toe om uit te zoeken hoe de levensverwachting in ons land evolueert volgens socio-economische positie. Buiten de Scandinavische wereld beschikken zeer weinig landen over deze informatie. Bovendien heeft de introductie van gezondheidsvragen in de census van 2001 de mogelijkheid geschapen om de gezondheid van de bevolking te meten onafhankelijk van de indicator levensverwachting.

Het onderzoek naar de evolutie in levensverwachting naar socio-economische positie tussen 1991 en 2004 toont aan hoe in België alle groepen nog steeds vooruitgang boeken. Maar de progressie is het snelst onder de hoogst opgeleiden. De kloof in ongelijkheid in levensverwachting naar onderwijsniveau neemt toe. Die vaststelling voedt ook de centrale onderzoeksvraag naar de relatie tussen de vooruitgang in levensverwachting en de blijvende ongelijkheid in mortaliteit. De mogelijkheid om de levensverwachting te meten naar socio-economische positie en te controleren voor verschillende indicatoren van zelfervaren gezondheid laat een vrij unieke onderzoeksdesign toe waarbij cruciale vragen over de evolutie van de volksgezondheid een begin van antwoord kunnen krijgen.