logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

De figuur in het tapijt. Op zoek naar zes auteurs

vrijdag, 19 september, 2008 - 14:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Arts and Philosophy
D
2.01
Daniël Rovers
doctoraatsverdediging

In het proefschrift De figuur in het tapijt. Op zoek naar zes auteurs staan, zoals de titel al verraadt, zes Nederlandse schrijvers centraal, namelijk Frans Kellendonk (1951-1990), Willem Jan Otten (1951), Tonnus Oosterhoff (1953), Marie Kessels (1954), Marjolijn Februari (1963) en Marc Kregting (1965). Om te onderzoeken hoe deze auteurs figureren in én naast hun oeuvre, worden in de inleiding, aan de hand van het verhaal The Figure in the Carpet van Henry James, en kritisch voortbouwend op theorieën van onder anderen Roland Barthes en Jérôme Meizoz, twee concepten geïntroduceerd, namelijk de auteursfiguur en de figuurauteur. De auteursfiguur is de manier waarop een auteur de teksten van zijn oeuvre heeft vormgegeven. De figuurauteur is het beeld van de auteur dat de ontvangst van zijn oeuvre mede bepaalt. Dit beeld is gebaseerd op de uitgesproken intenties van de auteur én op de intenties die hem, al dan niet op grond van zijn biografie, worden toegedicht. De twee concepten zijn dus letterlijk van een andere orde: de auteursfiguur kan worden afgeleid uit het literaire oeuvre, terwijl de figuurauteur ontstaat op grond van de verschillende vertogen over het literaire oeuvre en zijn auteur. In de zes aan de auteurs gewijde hoofdstukken worden vervolgens telkens de figuurauteur en de auteursfiguur geanalyseerd, waarbij meningen over het oeuvre en de auteur worden getoetst aan het oeuvre zelf. Dit echter steeds in het besef dat wie het laatste woord over een oeuvre door middel van de term auteursfiguur gezegd wil hebben, in de eerste plaats bijdraagt aan de vorming van de figuurauteur. In de conclusie die het proefschrift gewoontegetrouw afsluit, worden de verschillende auteursfiguren nog eens op een rij gezet, dit met behulp van enkele kenmerkende citaten uit de besproken oeuvres. Tevens wordt de vraag gesteld naar wat deze auteurs gemeenschappelijk zouden kunnen hebben. Dit leidt onder meer tot de stelling dat de zes in hun werk, elk op hun eigen wijze, hebben getracht het begrensde perspectief van het ego te ontstijgen, zoals Italo Calvino eens schreef. Marjolijn Februari stelde in dit verband, in Een pruik van paardenhaar, dat ieder mens voortaan beschouwd zou moeten worden als een ‘meervoudige persoonlijkheid’. Mocht deze metafoor algemene geldigheid verwerven, dan hoeven sommige auteurs wellicht niet meer te vrezen te worden uitgemaakt voor ‘antisemiet’, ‘autist’ of ‘incestslachtoffer’, zoals respectievelijk Frans Kellendonk, Marc Kregting en Tonnus Oosterhoff in recensies overkwam. Tegelijkertijd, zoals uit het oeuvre van Oosterhoff (‘Ik ben uitstreelbaar (eersteklas muurverf))’, Willem Jan Otten en ook Marie Kessels werd afgeleid, plaatsen juist de strategieën om aan het zelf te ontkomen de figuur van de auteur op de voorgrond. En misschien is dit wel het voornaamste wat een literair auteur kan bereiken: dat een lezer zich afvraagt wie in hemelsnaam de tekst die hij voor zich heeft liggen, geschreven zou kunnen hebben.