logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

The influence of Preimplantation genetic diagnosis and screening (PGD/PGS) on the Psychological Development of singletons and twins and Parental well-being

donderdag, 3 juli, 2008 - 18:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Psychology and Educational Sciences
D
0.02
Julie Nekkebroeck
doctoraatsverdediging

PGD/PGS een medische behandeling
Preïmplantatie genetische diagnose (PGD) is de nieuwste en meest complexe vorm van reproductieve technologie. PGD is een vroege vorm van prenatale diagnose voor koppels met een ‘hoog reproductief risico’ of, een hoog risico op een miskraam of een genetische afwijking bij de foetus. PGD is grensverleggend omdat deze techniek de overdracht van ernstige genetische aandoeningen bij koppels met een hoog reproductief risico kan helpen voorkomen. Preimplantatie genetische screening (PGS) is een recente toepassing van de PGD behandeling. Er is geen verschil tussen PGD en PGS voor wat betreft de medische behandeling, wel is het doel van beide toepassingen verschillend. De benaming ‘preimplantatie genetische screening’ (PGS) werd gekozen om het onderscheid tussen beide toepassingen duidelijk te maken. Bij PGD worden specifieke erfelijke aandoeningen opgespoord terwijl PGS verband houdt met het opsporen van (sporadische) chromosomale abnormaliteiten. Deze laatste koppels hebben maar een laag risico om een kind met een genetische aandoening te krijgen maar hebben wel een slechte prognose inzake de slaagkansen van een IVF behandeling. Meer specifiek zijn dit vrouwen met een hogere reproductieve leeftijd, koppels die kampen met herhaaldelijke miskramen en koppels die reeds een aantal mislukte vruchtbaarheidsbehandelingen achter de rug hebben ondanks de terugplaatsing van morfologische normale embryo’s.

Een PGD/PGS behandeling wordt steeds uitgevoerd in combinatie met een intracytoplasmatische sperma-injectie (ICSI). Na de ICSI procedure waarbij een zaadcel in de eicel wordt geïnjecteerd, wordt er op embryoniveau een biopsie uitgevoerd. Uit de 8-cellen tellende embryo’s worden één tot twee cellen gebiopsieerd (= de embryobiopsie) en aan een genetisch onderzoek onderworpen. Vervolgens vindt er een embryoselectie plaats: enkel embryo’s die geen afwijkingen vertonen en gezond zijn worden teruggeplaatst in de baarmoeder.

Follow-up onderzoek in kader van het doctoraatsproefschrift
PGD/PGS wordt toegepast in het Universitair Ziekenhuis Brussel sedert 1993. De dienst Medische Genetica van het UZ Brussel en de dienst Ontwikkelings- en Levenslooppsychologie van de Vrije Universiteit hebben reeds een jarenlange traditie en expertise op vlak van follow-up van kinderen geboren na diverse reproductieve technologieën onder leiding van Prof. Dr. Bonduelle en Prof. Dr. Ponjaert-Kristoffersen. Dit doctoraatsproefschrift is het resultaat van de allereerste prospectieve studie die startte in 2005, waarin de ontwikkeling van kinderen geboren na PGD/PGS werd onderzocht. Dit onderzoeksproject dat gefinancierd werd door het Wetenschappelijk fonds Willy Gepts- UZ Brussel, had niet enkel tot doel medische parameters (lichaamsgroei, incidentie van congenitale misvormingen, neonatale en postnatale verwikkelingen) na te gaan maar ook de psychologische ontwikkeling in kaart te brengen van 2-jarige kinderen geboren na PGD/PGS en deze te vergelijken met twee controlegroepen. De kinderen in de controlegroepen waren kinderen geboren na ICSI (zonder embryobiopsie) of na natuurlijke bevruchting. De mentale en motorische ontwikkeling van deze kinderen werd geëvalueerd en vergeleken. De ouders werden bevraagd over taal- en gedragsemotionele ontwikkeling van hun kind en over ouderlijk welzijn (stress bij het opvoeden en psychische gezondheid). In totaal werden 70 eenlingen en 32 tweelingen geboren na PGD/PGS onderzocht en vergeleken met 70 éénlingen en 32 tweelingen geboren na ICSI conceptie en 70 eenlingen en 30 tweelingen geboren na natuurlijke conceptie. De resultaten wezen uit dat er geen verschillen waren tussen de 3 conceptiegroepen voor wat betreft de mentale en motorische ontwikkeling op de leeftijd van 2 jaar. Ook op het vlak van temperament, taalontwikkeling, mentale gezondheid van de ouders en stress bij het opvoeden van kinderen werden geen verschillen gevonden tussen de 3 conceptiegroepen. Meer zelfs, PGD/PGS moeders en ICSI ouders van eenlingen rapporteerden gemiddeld significant minder emotionele- en gedragsproblemen bij hun kinderen dan de ouders in de natuurlijk geconcipieerde groep. Daarenboven rapporteerden moeders van een ICSI tweeling minder stress gerelateerd aan de opvoeding. Dit komt overeen met resultaten uit vorige onderzoeken en doet vermoeden dat ouders met een kind geboren na een vruchtbaarheidsbehandeling misschien toleranter zijn in de omgang met hun kind en bewuster met hun ouderrol omgaan. Men kan bijgevolg concluderen dat de invasieve PGD/PGS behandeling geen schadelijke gevolgen heeft voor de psychologische ontwikkeling van kinderen op de leeftijd van 2 jaar en het psychische welzijn van hun ouders. Hoewel deze eerste follow-up studie geruststellende resultaten opleverde voor (toekomstige) ouders, kinderen en clinici betrokken bij de PGD/PGS behandeling, is verder onderzoek bij grotere cohortes op oudere leeftijden, uitgevoerd door verschillende centra nodig om deze resultaten te bevestigen en uitsluitsel te bieden over mogelijke negatieve effecten op langere termijn.