logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

Antwerpen boven! Leopold II, de Antwerpse Kwestie sinds 1863 en de Grote Doorsteek 1894 - 1914

vrijdag, 10 juli, 2009 - 10:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Arts and Philosophy
D
2.01
Lode Hancké
doctoraatsverdediging

In de jaren 1850 ontstond in de havenstad Antwerpen een brede protestbeweging tegen
de vesting die het jonge België in staat moest stellen zijn onafhankelijkheid en neutraliteit te
verdedigen. Antwerpen werd het nationaal reduit of laatste toevluchtsoord, waar op hulp van
één van de vijf garanten kon gewacht worden. De Antwerpse eisen waren drievoudig: een
omwalling, groot genoeg om de bevolkingsgroei en de havenuitbreiding op te vangen; vergoedingen
voor het duizendtal eigenaars van gronden waarop krijgsdienstbaarheden rustten en
afbraak van het nieuwe Noordkasteel dat de omwalling ten noorden afsloot. Voor dat programma
werden meetings gevoerd - in het Nederlands – door de Antwerpse eenheidspartij (1862) die
daaraan de naam “Meetingpartij” ontleende. Binnen het jaar behoorde de eendracht echter tot het
verleden. De liberalen hernamen hun vrijheid. De Meetingpartij die daarna aanleunde bij de
katholieke partij, veroverde het stadhuis tot 1872. Dan wonnen de liberalen de gemeenteraadsverkiezingen
en behielden het bewind tot 1921, sinds 1899 in een kartel met de socialisten. Van
het Meetingprogramma werden de eerste twee punten gerealiseerd. Onder druk van Leopold II
(1865-1909) en zijn militaire adviseur Alexis Brialmont werd aan het Noordkasteel echter niet
geraakt. Het vergrendelde de havenuitbreiding naar het noorden.

Zo ontstond “de Antwerpse kwestie” die tot 1914 als een zwaard van Damocles boven de
Belgische politiek hing, uit een conglomeraat van drie factoren: de bevolkingstoename (van
56.000 in 1830 tot 320.000 in 1913) en de havenuitbreiding die te pletter liep tegen de vesting.
Leopold II voor wie de landsverdediging prioriteit had, verzette zich (vruchteloos) tegen de
bouw van twee dokken op de binnenfronten van het Noordkasteel, maar voor dokken buiten de
vesting kreeg de stad geen toestemming. Toen na 1890 de havenontwikkeling haar vlucht nam,
werd de haven die zich niet kon uitbreiden, slachtoffer van grote overlast, waardoor tientallen
scheepvaartlijnen afzagen van een verbinding op Antwerpen.

De Antwerpse kwestie trad een tweede fase in rond 1894, toen het project van de Grote
Doorsteek (La Grande Coupure) van het Meetingkamerlid Louis Van den Broeck in het publiek
werd geworpen. De Grote Doorsteek zou de Schelde verleggen in een zachte boog door de noordelijke
polders van de Kruisschans tot de rede. Het project kreeg steun van Leopold II, van de
katholieke regering en van de Meetingpartij, omdat het een nieuwe vesting, noodzakelijk wegens
het toegenomen schietbereik van de artillerie, inhield. Het werd bestreden door het liberaal stadsbestuur
met burgemeester Van Rijswijck en stadsingenieur Royers, die dokken verkozen boven
Scheldekaaien. De Grote Doorsteek ontketende een jarenlange polemiek. De controverse belette
op haar beurt de havenuitbreiding en de vervanging van de verouderde Brialmontomwalling.
Leopold II had dus een kapitale rol in de havenuitbreiding, zoals zijn opvolger, Albert I (1909-
1934) die er de hand in had dat de quasi-rechtlijnige Grote Doorsteek vervangen werd door een
“sinusoïdaal” tracé, nadat de Antwerpse kwestie in het Parlement tot verhitte debatten had geleid
tussen de regering en een deel van haar katholieke meerderheid. De oorlog belette de uitvoering
van het nieuwe Scheldetracé. Ook de nieuwe vesting was niet gevechtsklaar toen de oorlog
uitbrak.

In zijn doctorale verhandeling onderzoekt Lode Hancké de evolutie van de erg complexe
Antwerpse kwestie van 1863 tot 1914 en belicht de rol van Leopold II in de dubbele kwestie van
vesting en Scheldeverbetering. De studie gaat in op de wijze waarop Leopold II en de regeringen
gepoogd hebben de Meetingrebellie in de grootste stad van het land en zijn nationale haven, te
resorberen. De stad en de handel hadden weinig redenen om Leopold II dankbaar te zijn voor het
havenbeleid, maar voor de handel maakte Kongo veel goed. De studie beschrijft ook het proces
van desintegratie van de Meetingpartij en van de liberale partij in Antwerpen.

Opmerkelijke resultaten zijn de vaststelling dat het liberaal stadsbestuur gehecht was aan een
integraal overheidsbeheer voor de winstgevende haven en volstrekt geen ruimte liet voor
particulier initiatief. Andere aandachtspunten zijn: de speculatieve aankopen door vooral
katholieke grootgrondbezitters met het oog op de onteigeningen voor de Grote Doorsteek, de
haat-liefde verhouding tussen de stad Antwerpen en de nog grotendeels onbewoonde
linkeroever, de aanhechting van (delen van) buurgemeenten, de strijd om de meerwaarde tussen
de regering en de stad, en de kwestie van de autonomie van het havenbeleid die toen ook reeds
door de Kamer van Koophandel, een belangrijke medespeler in de Antwerpse kwestie, werd
gesteld.

Door de studie wordt nieuw licht geworpen op een halve eeuw openbare werken en
vestingwerken in de Antwerpse regio en op de politieke verhoudingen, nationaal en lokaal. Ze
mag daarom beschouwd worden als een belangrijke bijdrage tot de geschiedschrijving van het
moderne Antwerpen en tot beter begrip van een aantal blijvende kenmerken in het politieke,
sociale, economische en culturele leven van de stad.