logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

Het audiovisuele dossier op de agenda van de Wereldhandelsorganisatie. Een institutioneel en politiek-economisch onderzoek naar de teneur, vorm en marges van de WTO interventie in audiovisueel beleid

donderdag, 2 april, 2009 - 14:30
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Arts and Philosophy
D
2.01
Jan Loisen
doctoraatsverdediging

De vormgeving van audiovisueel beleid is een complexe materie die zich op het kruispunt
van verschillende spanningsvelden bevindt. Ten eerste heeft de audiovisuele sector, en de
producten die erin circuleren (vb. films of televisieprogramma’s), een dubbele natuur. D.w.z.
dat het omkaderende beleid zowel de economische als de culturele dimensie van de sector
zou moeten behartigen. Ten tweede vervagen, binnen de context van een opkomende
informatiemaatschappij, mogelijk de grenzen tussen een sectorspecifieke en multisectoriële
beleidsbehandeling van de audiovisuele sector. Door technologische en economische
convergentieprocessen kent die immers steeds meer raakpunten met overige media (vb.
telecommunicatie, internet, …). Ten derde wordt audiovisueel beleid op verschillende
beleidsniveaus behandeld, gaande van het Vlaamse over Europese tot globale niveau.

In dat verband betekent de inwerkingtreding van de Wereldhandelsorganisatie in 1995 een
nieuwe fase voor de vormgeving van audiovisueel beleid. Doordat audiovisuele diensten
deel uitmaken van het dienstenakkoord GATS, staat de liberalisering van de audiovisuele
sector van deelnemende Leden op de agenda. Die beleidsinterventie wordt in de
communicatiewetenschappen vaak als negatief geëvalueerd. De veronderstelling is dat de
teneur in de WTO van die aard is dat een economische benadering van audiovisueel beleid
diens culturele dimensie buiten spel zet; dat qua vorm of regels een multisectorieel opgevat
beleid de sectorspecifieke elementen van audiovisueel beleid zal overstemmen; en dat de
nationale en regionale beleidsmarges voor culturele diversiteit al te zeer ingeperkt worden
omwille van het overhellen van de machtsbalans naar de WTO. Maar ook veel WTO Leden
zelf lijken zich bedreigd te voelen door deze ontwikkeling. Getuige ondermeer de
totstandkoming in UNESCO verband van de Conventie over Culturele Diversiteit die een
tegengewicht moet vormen tegenover de WTO - en tegenover een verdere uitbreiding van de
Amerikaanse dominantie in de audiovisuele sector op globaal vlak.

De complexiteit van ‘het audiovisuele dossier’ in de WTO doet evenwel vermoeden dat
dergelijke lineaire en eenzijdig negatieve evaluatie kort door de bocht is en nood heeft aan
een meer genuanceerd onderzoek. In dit doctoraal proefschrift staan bijgevolg volgende
vragen centraal: op welke manier intervenieert de WTO in de ontwikkeling van audiovisueel
beleid; hoe geven bovenstaande spanningsvelden deze tussenkomst vorm; en wat is de
teneur, is de vorm en zijn de marges van dit WTO beleid? Vanuit een eerder normatief
oogpunt, richt dit doctoraat zich op de vraag of dit beleid zowel economisch duurzaam als
culturele diversiteitsbevorderend opereert, desgevallend kan opereren.

Om hierop een antwoord te kunnen geven wordt in eerste instantie (hoofdstuk 1) de
complexiteit van het vraagstuk onderworpen aan een grondige historische reflexie. Hieruit
blijkt dat zowel de ontwikkeling van het multilaterale handelssysteem, als de behandeling
van de ‘handel en cultuur’ kwestie, de resultante zijn van een permanent dialectische en
dynamische ontwikkeling. Verschillende actoren, met een verschillende achtergrond en
ideeën, treden vanuit verschillende belangen en machtsposities in interactie over de kwestie.
Het resultaat van deze ontwikkeling is ambivalent. Enerzijds wordt de sector grotendeels
opgenomen binnen het WTO/GATS kader en lijkt de liberalisering van audiovisuele handel
ingezet. Anderzijds is dit slechts het beginpunt van het liberaliseringsproces, dienen er nog
verscheidene zaken verder onderhandeld, en lijkt de werkelijke impact van de WTO op de
vormgeving van audiovisueel beleid door de Leden nog beperkt.

In tweede instantie wordt in navolging van de inzichten uit de historische reflexie, op basis
van een interdisciplinaire literatuurstudie, en geïnspireerd door het werk van Douglass
North over instituties en institutionele verandering, een analysekader ontwikkeld (hoofdstuk
2) dat toelaat de huidige behandeling van audiovisueel beleid in de WTO in kaart te brengen,
te analyseren en te evalueren. In dit analysekader worden op overzichtelijke wijze
verschillende componenten die het audiovisuele dossier opbouwen met elkaar in verband
gebracht. Ten eerste, de informele beperkingen, zoals ideeën, ideologie, normen, conventies,
enz. die heersen m.b.t. de problematiek. Ten tweede, de formele beperkingen of regels die
gelden ten aanzien van de audiovisuele sector. Ten derde de disciplinerings- en
handhavingsmechanismen die optreden in geval van conflict tussen de handelspartners over
het audiovisuele dossier. Deze drie groepen van ‘instituties’, ofwel het ‘institutionele kader’,
vormen de spelregels via dewelke verscheidene actoren met elkaar in interactie treden om de
WTO beleidsinterventie in de audiovisuele sector verder vorm te geven.

In derde instantie passen we dit analysekader toe op de huidige behandeling van het
audiovisuele dossier in de WTO (hoofdstuk 3). Hieruit blijkt een relatief grote continuïteit. De
beleidsinterventie van de WTO is slechts incrementeel liberaliserend. De keerzijde is evenwel
dat het institutionele kader voorlopig niet culturele diversiteitsbevorderend opereert. Dat
blijkt ondermeer uit de analyse van de teneur in de WTO. De traditioneel antagonistische
discours en posities van de grote handelsblokken (i.e. de VS en Europa) blijven grotendeels
ongewijzigd. De veelal verwachte invloed van het denken over de informatiemaatschappij is
erg beperkt. Ook qua vorm zijn er eerder beperkte wijzigingen opgetreden sinds 1995. De
meeste landen nemen een afwachtende houding aan om de regels en hun verbintenissen te
herzien. Ze houden zich vast aan de flexibiliteit die deze nu bieden om het eigen audiovisueel
beleid verder te zetten. Deze flexibiliteit kan echter als ‘negatief’ omschreven worden. De
marges die het huidige WTO kader biedt, laten enkel de bestendiging van de status quo toe.
Indien het liberaliseringsproces op gang getrokken zou worden, staan daar onvoldoende
expliciete mogelijkheden tegenover om rekening te houden met objectieven van culturele
diversiteit. Het ontbreekt de handelspartners aan politieke wil en moed om zulke
explicitering op de WTO agenda te plaatsen en onvoorziene beleidsontwikkelingen ten koste
van culturele diversiteit te vermijden. Desalniettemin de incrementele aard van de WTO
interventie in audiovisueel beleid, zijn er middels de analyse van het institutionele kader in
de WTO toch een aantal cesuren te ontwaren die verandering ten aanzien van het dossier
kunnen inleiden. Ten eerste, de ontwikkeling van de Conventie over Culturele Diversiteit in
UNESCO verband. Hoewel dit nieuwe instrument voorlopig weinig juridische slagkracht
bezit, is het een belangrijk politiek signaal. Het draagt tevens bij tot onderzoek en informatie
of debat en discussie over beleidsopties om culturele diversiteit in het internationaal publiek
recht te verankeren. Ten tweede, de introductie van nieuwe stemmen. Met name India en
Brazilië eigenen zich een stem toe in het debat en openen nieuwe perspectieven op de
problematiek. Voorlopig lijkt het er alvast op dat landen een verder liberaliseringsproces
weerstaan wanneer ze er niets bij te winnen hebben. Wanneer de sector echter een
groeipotentieel heeft en de politiek-economische onderhandelingsmacht verhoogt, kunnen
posities relatief snel wijzigen. Dat blijkt ook uit de proliferatie van bilaterale en regionale
akkoorden waarvan audiovisueel beleid deel uitmaakt. Ten derde, zijn er aanwijzingen dat
de huidige status quo in toenemende mate in vraag gesteld wordt. Vanuit normatief oogpunt
is het essentieel dat dit debat verder gezet wordt volgens de idee van embedded liberalism,
weliswaar aangepast aan de huidige context.

In die optiek wordt voorgesteld dat het debat verder aangezwengeld wordt en dat de
embryonale totstandkoming van een epistemische gemeenschap die hierrond is tot stand
gekomen, structureel ondersteund wordt. Meer onderzoek is tevens nodig, m.i.v. meer
kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over audiovisuele diensten(handel). Daarnaast
kunnen verscheidene beleidsopties overwogen en bestudeerd worden. Hieronder het
expliciet inschrijven van ‘culturele diversiteit’ in de WTO akkoorden, evenals een verfijning
van de Conventie over Culturele Diversiteit; het activeren van ‘slapende’
uitzonderingsartikelen voor een gebalanceerde behandeling van de specificiteit van de
audiovisuele sector; en de ontwikkeling van een reference paper waarin een verdere
liberalisering van audiovisueel beleid gekoppeld wordt aan voorzieningen om de specificiteit
van de sector – m.b.t. classificering, subsidies, publieke omroepen, ontwikkelingslanden,
mededinging en hernegotiëring van verbintenissen – in rekening te brengen.