logo

U bent hier

Waarschuwingsbericht

Opgelet! Dit event heeft al plaatsgehad.

Politieke instituties en gender mainstreaming. Een vergelijkende studie van België en Nederland

maandag, 12 januari, 2009 - 14:00
Campus: Brussels Humanities, Sciences & Engineering campus
Faculteit: Social Sciences and Solvay Business School
D
2.01
Marjolein Paantjens
doctoraatsverdediging

In dit onderzoek is de invloed van instituties op de gendergevoeligheid van beleid onderzocht. Aanleiding hiervoor waren de tegenvallende resultaten van gender mainstreaming. Gender mainstreaming is een beleidsstrategie die tot doel heeft een genderperspectief te integreren in al het beleid en blijft dus niet beperkt tot klassieke gendergelijkheidsthema’s. Wanneer deze strategie goed functioneert, mag men verwachten dat er in al het beleid meer aandacht komt voor gender (gendergevoeligheid van het beleid). In de literatuur werd het succes of falen van deze strategie vaak verbonden aan institutionele verklaringen, maar ontbrak het aan theorievorming en vergelijkende studies. Om na te gaan hoe de institutionele context van invloed is op de gendergevoeligheid van het beleid is er een vergelijkend onderzoek uitgevoerd op vier verschillende beleidsterreinen in Nederland en België, zowel tien jaar voor de introductie van gender mainstreaming als tien jaar erna (1985 en 2005). De vier onderzochte terreinen zijn het arbeidsparticipatiebeleid, beleid ter bestrijding van partnergeweld, migratiebeleid en woonbeleid. Door middel van inhoudsanalyses (meer specifiek door Critical Frame Analyse) en interviews met onderzoekers en beleidsmakers is de gendergevoeligheid van deze beleidsterreinen in 1985 en 2005 in kaart gebracht. Tevens is de institutionele context voor beide meetjaren in kaart gebracht aan de hand van vier instituties (unitaire staatsstructuur, progressief genderregime, horizontale beleidsstructuur, aanwezigheid van genderactoren en structuren) waarvan verwacht werd dat zij een positieve invloed zouden hebben op de gendergevoeligheid van het beleid en op gender mainstreaming, wanneer zij in hogere mate aanwezig waren.

De uitkomsten van het onderzoek wijzen om te beginnen op een samenhang tussen de aanwezigheid van de vier instituties en de gendergevoeligheid van beleid. Bijvoorbeeld, wanneer alle vier de instituties aanwezig waren was de gemiddelde gendergevoeligheid van het beleid aanzienlijk hoger dan op momenten waar zij niet aanwezig waren. Wanneer er echter in detail wordt gekeken naar de gendergevoeligheid, blijkt dat terreinen die niet behoren tot het klassieke gendergelijkheidsbeleid (woonbeleid en migratiebeleid), zo goed als immuun zijn voor gender mainstreaming, en dat terwijl het doel van de strategie juist is om overal, en dus niet alleen op genderkwesties, aandacht voor gender te integreren. Op de andere twee terreinen bleek wel aandacht voor gender te bestaan, maar waar deze in België inderdaad toenam na de introductie van gender mainstreaming, bleek deze in Nederland te zijn afgenomen; op het gebied van partnergeweld blijkt zo goed als geen aandacht voor gender meer te bestaan in 2005, terwijl deze juist sterk aanwezig was in 1985. Gender mainstreaming functioneert dus niet zoals verwacht en gehoopt. Tenslotte kon nog worden vastgesteld dat van de vier instituties, de aanwezigheid van genderactoren en structuren de meeste invloed heeft op de mate van gendergevoeligheid van beleid en de implementatie van gender mainstreaming. Ook wanneer er een algemene gender mainstreamingstrategie wordt geïmplementeerd, is het daarom van essentieel belang dat er specifieke gendergelijkheids-structuren en actoren (zoals bijvoorbeeld een verantwoordelijke minister, een sterke gelijke kansen cel of directie coördinatie emancipatie, enzovoort) aanwezig zijn binnen de overheid om dit beleid aan te sturen, te ondersteunen en te monitoren.

Bijlage: 
PDF icon 200901121a.pdf