logo

U bent hier

De studentenbeweging aan de wieg van de VUB

Harry Dierckx studeerde geschiedenis en was lid van het BSG-bestuur (1967-68) en van de Sociale Commissie (1970). Hij schreef een artikel over het ontstaan en de evolutie van de Brusselse tak van de Studentenvakbeweging (SVB), dat diverse linkse krachten in de studentenbeweging verenigde.

Studentenbewegingen hebben de voorbije 200 jaar natuurlijk altijd een belangrijke rol gespeeld in het maatschappelijk gebeuren. Tot op vandaag, denk maar aan Hongkong of Iran. Ook in het België van voor de jaren zestig hadden studenten en hun organisaties, meestal de universitaire overkoepelende structuren of aan politieke jongerenbewegingen gelieerde groepen, zich al regelmatig geëngageerd in conflicten die het politieke leven beheersten. Zo keerden de ULB-studenten in het verzet zich tegen het fascisme en de Duitse bezetter, organiseerden de linkse studentenorganisaties de acties tegen de Eenheidswet in de winter 1960-1961 en streden de Leuvense en Gentse studenten voor de uitbouw van een Vlaamse universiteit in Leuven en de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit van Gent.

Deze periodieke oprispingen van politiek en maatschappelijk engagement nemen niet weg dat tot in de eerste jaren van de ‘golden sixties’ het overgrote deel van het studentenleven buiten de studies zich concentreerde op folkloristische en ontspanningsactiviteiten: dopen, cantussen, Sint-Verhaegenvieringen, thé dansants, bals, enz. Midden de jaren 60 kwam daar verandering in, in de zin dat de overkoepelende studentenorganisaties zich heroriënteerden als vertegenwoordigers van het “studentensyndicalisme”, een beweging die bezig was zich in gans West-Europa en dus ook in Franstalig België te ontplooien. Studenten dienden niet langer beschouwd te worden als een aparte categorie van buiten het normale maatschappelijke gebeuren staande fils-à-papa’s, maar als een wezenlijk onderdeel van de maatschappij. Ze waren jonge, intellectuele arbeiders, verbonden met de syndicale beweging en van daaruit gelijkaardige eisen formulerend: studieloon, sociale bescherming zoals ziekteverzekering, medezeggenschap op alle niveaus van de universitaire structuur, zelfbeheer van de sociale diensten, enz.

Men kan zich afvragen vanwaar deze nieuwe wind kwam, bij een publiek dat tot dan toe hoofdzakelijk elitair was geweest. Ongetwijfeld zit een stuk verklaring in hetgeen men later de “geest van mei 68” is gaan noemen: de drang vooral bij de nieuwe jonge generatie om zich te bevrijden van de oude autoritaire maatschappelijke structuren en een maatschappelijk engagement op zich te nemen.

Niet onbelangrijk was waarschijnlijk ook dat deze eerste jaren van de 1960 het begin van een zekere democratisering van de studentenpopulatie met zich meebrachten. Er was een duidelijke aangroei van studenten komend uit de lagere middenstand, de kleine burgerij en – met mondjesmaat – uit de arbeidersmilieus. Nader onderzoek zou dit moeten bevestigen, maar het is niet onwaarschijnlijk dat deze voorzichtige democratisering zich bij Vlaamse studenten aan de ULB extra sterk manifesteerde. In de jaren 60 was het Belgisch kapitaal en de Belgische burgerij nog hoofdzakelijk Franstalig, bourgeoisstudenten vond je dan ook in veel grotere mate aan de Franstalige universiteiten, vooral aan de UCL en de ULB. Een niet onbelangrijk deel van de Vlaamse studenten in Brussel waren beursstudenten uit West-Vlaanderen en Limburg, verder vooral overtuigde Vlamingen uit Brussel en omgeving en dus in die tijd – Vlaming zijnde – ook meestal niet de meest kapitaalkrachtigen. Ten slotte was er ook een vrij grote delegatie van studenten uit de Antwerpse stads- en rijksscholen uit vrijzinnige kringen.

In Brussel werd het BSG (Brussels Studentengenootschap) – het overkoepelende orgaan van de studenten aan de Vlaamse leergangen van de ULB – de vertegenwoordiger van dit studentensyndicalisme. In Vlaanderen was dit de VVS (Vereniging van Vlaamse studenten), die, formeel gezien, alle studenten van de KUL, de RUG, de Vlamingen van de ULB, de studenten van de Antwerpse universitaire inrichtingen – RUCA (rijks) en UFSIA (katholiek) – en de Vlaamse hogescholen vertegenwoordigde.

De slogan waaronder al die diverse studentenorganisaties zich verenigden was “een democratisch onderwijs in een democratisch land”. Naast syndicale eisen van hierboven zoals studieloon en medebeheer hield dit een radicale hertekening van het hoger onderwijs in. Speerpunt was ongetwijfeld de overheveling van de Franstalige universiteit van Leuven naar Wallonië, maar daarnaast kwam de VVS ook op voor de uitbouw van volwaardige Vlaamse leergangen in een paritair – Frans-Nederlandstalig – beheerde Brusselse universiteit, het opgaan van UFSIA en RUCA in een volwaardige pluralistische universiteit in Antwerpen, gelijke behandeling van de hogescholen qua sociale diensten en subsidiëring.

Verder is er op sommige ogenblikken een sterke identificatie met de sociale arbeidersbeweging (bv. rond de dood van twee mijnwerkers bij een rijkswachtoptreden in Zwartberg in 1966) en met de internationale pacifistische (anti-atoommarsen) en anti-imperialistische beweging (het verzet tegen het Amerikaanse optreden in Zuidoost-Azië).

Ondanks hun relatief klein aantal in de totale Vlaamse studentenpopulatie hebben de Vlaamse VUB-studenten geen onbelangrijke rol gespeeld in de VVS. In 1965-66 was één van hen, Roland Aerden, zelfs voorzitter van de organisatie, maar ook in de andere jaren hadden hun vertegenwoordigers in het bestuur een belangrijke impact op standpunten en actievormen. Op alle belangrijke acties waren de VUB-studenten manifest aanwezig: de massale betogingen in Gent en Leuven, de vierdaagse stermars (waarbij er vanuit verschillende universiteitssteden opgemarcheerd werd naar Leuven, enigszins in navolging van de anti-segregatiemarsen in de Verenigde Staten), de periodieke studie- en vormingsdagen, enz. Een belangrijk gevolg van dit engagement binnen de VVS was dat de centrale eis van de VUB-studenten, de uitbouw van hun eigen universiteit, weliswaar achter het allesoverheersende Leuven-Vlaams maar daarom niet minder dwingend op de maatschappelijke agenda bleef staan.

BSG engageerde zich dus zonder voorbehoud in de visie en de acties van de Vlaamse studentenbeweging in zijn globaliteit. Dat neemt niet weg dat het centrale strijdpunt uiteraard bij de eigen universiteit bleef. Aan die ULB werden de Vlamingen weliswaar aanvaard en geduld, maar bleven ze in grote mate tweederangs. Raad van Bestuur en de faculteitsraden waren bijna uitsluitend Franstalig, rector Homès en sterke man, administratief bestuurder Gillet, waren eentalig Frans, veel professoren waren vanuit de faculteitsraden in de Vlaamse leergangen gedropt en kenden maar rudimentair Nederlands. Restaurant, studentenhome, sociale diensten, administratief personeel,… praktisch overal waren Nederlandstaligen met het vergrootglas te zoeken en werden de Vlaamse studenten verondersteld zich in het Frans te kunnen bedienen.

De acties van de Vlaamse VUB-studenten in de jaren 60 richtten zich dan ook op de eerste plaats op het aanklagen van deze discriminaties en op de eis van een volledige tweeledigheid van de universiteit. Die acties waren van heel diverse aard: pamfletten, persconferenties, vrije vergaderingen, stakingen, boycotacties, enz. Een jaarlijks hoogtepunt waren de Sint-Verhaegenvieringen waar de voorzitters van het BSG – Roland Aerden, Luc Mares, Henri Peeters, Mike Collard – traditioneel gebruik van maakten om in hun speech de achterstelling van de Vlamingen aan de universiteit aan te klagen.

Wat overigens niet zonder de nodige problemen en dreigen met sancties verliep. Voor aankondiging van elke activiteit in het studentenhuis of de lokalen van de universiteit moest toestemming ("autorisation d'afficher") aangevraagd worden. Toen in 67-68 het conflict escaleerde, werd dat geweigerd en les- en studentenhuisgebouwen voor hun acties kregen de Vlaamse studenten ook niet meer. Ze reageerden hierop door "in het wild" affiches of klevertjes te gaan plakken en zonder toestemming toch vergaderingen in de gebouwen te organiseren, wat dan voor de universitaire overheid aanleiding was om de dreiging met repressie op te voeren. De "verantwoordelijke", toenmalig vicevoorzitter informatie van BSG, Chris Eliaerts, werd bij ULB-vicevoorzitter Van Loey op het matje geroepen en kreeg de duidelijke vermaning om met de acties te stoppen. Toen dat nog niet hielp kregen verscheidene BSG-bestuursleden een brief waarin gedreigd werd hen van de universiteit te schorsen. Dat het niet zover is gekomen, is waarschijnlijk te danken aan mei 68, dat een einde zou maken aan het "Ancien Régime" van de ULB en waardoor de krachtsverhoudingen totaal anders kwamen te liggen, maar daarover verder meer.

Een van de sterke punten van de beweging van de Vlaamse studenten aan de ULB was dat ze een relatief homogene groep vormde. Een groot gedeelte van de studenten waren kotstudenten, geconcentreerd in het studentenhuis en de wijken op korte afstand hiervan en ook voor de pendelaars gaf de relatief korte afstand tot hun thuisplaats de meesten onder hen de gelegenheid mee in volle teugen van het studentenleven – zowel ontspannend als politiek – te genieten. Gevolg hiervan was dat in grote mate iedereen iedereen kende en samen met de door allen aangevoelde achterstelling van de Vlamingen leidde dit tot een relatief groot samenhorigheidsgevoel. Dit laatste werd bovendien maar in geringe mate doorkruist door politieke tegenstellingen. Om te beginnen was de sfeer van die jaren 60 – antiautoritair, democratisch, actiegericht – relatief algemeen. Echt rechtse studenten, laat staan organisaties, waren praktisch onbestaande. De VNSU (Vlaams-nationale studentenunie) bijvoorbeeld, aan de VUB in 1966 opgericht in navolging van Leuven en Gent, verdedigde in die jaren 60 even linkse standpunten als bijvoorbeeld het SVSB (Socialistisch Vlaams Studentenverbond), dat op zijn beurt dan weer even complexloos het Vlaamse eisenpakket verdedigde. Zelfs het meer gematigde LVSV (Liberaal Vlaams Studentenverbond) onderschreef in die periode in grote mate de principes van het studentensyndicalisme en in elk geval in de eerste plaats het Vlaamse eisenpakket tegenover de ULB. Daarbij moet ook gezegd worden dat deze politieke studentenverenigingen ook maar in heel beperkte mate actief waren omdat hun meest militante leden zich concentreerden op hun werking binnen het BSG waarbinnen een relatief grote consensus inzake standpunten en actiemiddelen gevonden werd. Ook al omdat het ideologisch sektarisme en de opsplitsing in allerlei ‘groupuscules’ waaronder de Franstalige studentenbeweging toen al leed en dat vanaf de jaren 70 ook de Vlaamse studentenorganisaties zou gaan teisteren, in die tweede helft van de jaren 60 bij de Vlaamse studenten, zeker aan de VUB, nog praktisch volledig afwezig was.

Deze relatieve homogeniteit betekent niet dat er helemaal geen breuklijnen binnen het studentenmilieu waren. Zo was er de sluimerende tegenstelling tussen "vrijzinnigen" en "pluralisten". Bij de eersten bestond er een enorm wantrouwen tegenover elke vorm van samenwerking met "de katholieken", ook in het kader van VVS, en dus ook tegen het ondersteunen van en mee actie voeren rond eisen als “Leuven-Vlaams". De tweede groep ging ervan uit dat juist dit engagement in een globale beweging de kansen op het inwilligen van de eigen eisen rond de ULB alleen maar kon vergroten. Bovendien was het voor hen zonneklaar dat heel die beweging bezig was de klerikale macht in Vlaanderen af te breken, de deklerikalisering van de Vlaamse jeugd in een versnelling te brengen en belangrijke stappen te zetten naar de ontzuiling van het maatschappelijk leven en een meer pluralistisch Vlaanderen. Twee opmerkelijke voorbeelden van deze tegenstelling. In de aanloop naar de verkiezingen voor het BSG-bestuur in 1967 kreeg Mike Collard, kandidaat-voorzitter, een open brief van het toenmalig bestuur van Vrij Onderzoek waarin hem met aandrang gevraagd werd zijn kandidatuur in te trekken omdat hij had toegegeven aan de dwang of noodzaak (waarschijnlijk wegens zijn relatie en schoonfamilie) om af en toe kerkelijke diensten bij te wonen. En in maart 1969 diende Vrij Onderzoek bij de kiescommissie bevoegd voor de verkiezing van de Tijdelijke Nederlandstalige Raad (TNR) verzet aan tegen de kandidaat van de PPK omdat "hij volgens getuigenissen actief was bezig gezien als leider van een groep Chirojongeren van om en bij twaalf jaar".

De tweede tegenstelling was er tussen de meer beperkte groep van meest gepolitiseerde en actieve studenten en de grote massa. Onder andere door het verkiezingssysteem – op een jaarlijkse algemene vergadering waarop alle studenten stemrecht hadden, maar waarop uiteraard enkel de meest geëngageerde aanwezig waren – beheerste de eerste groep al jaren het bestuur van BSG, het overkoepelende studentenorgaan dat verondersteld werd alle studenten te vertegenwoordigen. Zoals gezegd zorgden de relatieve homogeniteit van de Vlaamse VUB-studenten en het gezamenlijk Vlaams eisenpakket ervoor dat de representativiteit van deze BSG-besturen maar sporadisch in vraag werd gesteld. Maar naarmate de studentenbeweging in de eerste plaats in Leuven meer en meer radicaliseerde en politiseerde, werd ook in Brussel duidelijk dat dit spagaat tussen een gepolitiseerde voorhoede en een bestuursorgaan dat verondersteld werd de standpunten gedeeld door de ganse studentengemeenschap te verdedigen, moeilijk houdbaar was.

In december 1967 werd dan ook, in navolging van Leuven, een Brusselse afdeling van de SVB (Studentenvakbeweging) opgericht. In de beginselverklaring wordt vertrokken van een marxistische analyse van de maatschappij en van de rol van de universiteiten en het onderwijs hierin. De SVB zag zich als een écht syndicaat voor de studenten, gebaseerd op individueel lidmaatschap, en legde de band met de strijd van de arbeidersbeweging tegen de kapitalistische samenleving. Adres van de beweging werd Boondaalsesteenweg 348 in Elsene, het adres van Eddy Sève, één van de verantwoordelijken van de toen autonome studentenvoorzieningen en één van de belangrijkste voortrekkers van de toenmalige studentenbeweging.

Op te merken valt dat dit Brusselse SVB – in tegenstelling met bijvoorbeeld Leuven, waar onder invloed van studentenleiders als Ludo Martens of Walter De Bock de SVB van bij aanvang een duidelijk maoïstische inslag vertoonde – "pluralistisch" was in de zin van ideologisch totaal niet doctrinair, waardoor zowat alles aan de VUB wat zich "links" voelde, zich in de organisatie kon herkennen. Het valt dan ook niet te verwonderen dat het bestuur van BSG van het academiejaar 1967-1968, nog altijd gekozen op een algemene vergadering, op één uitzondering na, uit SVB'ers of SVB-sympathisanten bestond.

En het was dat BSG-bestuur onder voorzitterschap van Mike Collard dat in de stroomversnellingen van 1968 terechtkwam. In januari van dat jaar kwam de strijd in Leuven tot een hoogtepunt met stakingen, betogingen, rellen, bezettingen van universiteitsgebouwen, harde politierepressie, oppakken en vastzetten van studentenleiders als Paul Goossens. De Vlaamse VUB-studenten engageerden zich volledig in al deze acties, ook al omdat – het mag nog eens onderlijnd worden – het eisenpakket van die strijd zich niet beperkte tot "Leuven-Vlaams", maar zich uitstrekte tot het ganse onderwijslandschap en de ganse maatschappij. Vlaamse VUB-studenten waren prominent aanwezig in de strijd in de Leuvense straten. Een aantal werd opgepakt en voornoemde Eddy Sève werd zelfs, juist zoals Goossens, enkele dagen in hechtenis gehouden. Gelukkig voor hem werden de aanklachten tegen hem later geseponeerd. Aan de VUB zelf werden allerlei solidariteitsacties georganiseerd. Op één daarvan kwam het in het studentenhuis tot ernstige incidenten met rechtse Franstalige tegenbetogers die dreigden Paul Goossens, de door BSG uitgenodigde gastspreker op een infomeeting, te "lynchen". Een eensgezind front van solidaire linkse Franstalige studenten en Vlaamse VUB'ers slaagde er gelukkig in Goossens zonder kleerscheuren weer buiten te smokkelen. Hoogtepunt van de acties was echter een bezetting en meeting in de aula van het centraal universiteitsgebouw. Voor deze actie had het BSG massaal pamfletten verspreid in de middelbare scholen in en rond Brussel, waarin werd opgeroepen ook in staking te gaan en aan de meeting in de VUB-gebouwen deel te nemen. Het succes van deze oproep was overweldigend en de VUB-aula werd dan ook overspoeld met scholieren uit vooral katholieke scholen als Maria-Haps, Maria-Boodschap, Sint zus en Sint zo. Niet voor lang echter. Op vraag van het rectoraat arriveerde de politie, die onder andere met een bombardement aan traangasbommen door de ruiten dwong tot ontruimen. Uiteindelijk slaagden de BSG'ers erin iedereen met tranende ogen, maar verder zonder al te veel letsels, op straat te krijgen, vanwaar men in optocht verder bleef manifesteren tot op de grote lanen van het centrum van Brussel, waar de betoging vreedzaam ontbonden werd.
De avond van deze actiedag kwam de hierboven sluimerende breuklijn binnen de VUB-studenten tot uiting. Vanuit diverse kanten werd het BSG-bestuur verweten de universitaire campus ontheiligd te hebben door massaal katholieke scholieren uitgenodigd en toegelaten te hebben. Het BSG-bestuur concludeerde hieruit dat het niet langer mogelijk was in naam van de ganse studentenbevolking te spreken, nam ontslag en hergroepeerde zich binnen een SVB, vanwaaruit ze autonoom en compromisloos standpunten kon innemen en acties voeren.

Ondertussen had de Leuvense revolte geleid tot het ontslag van de regering-Vanden Boeynants en alles wees erop dat de overheveling van de UCL naar Wallonië een feit ging worden. Het is niet verkeerd om te veronderstellen dat er als een vorm van compensatie voor het vrijzinnige deel van België ook toen al plannen waren voor een verdere uitbouw in de één of andere vorm van de Vlaamse leergangen aan de ULB. Dat weerspiegelde zich bv. in de programma's van de Vlaamse partijen voor de parlementsverkiezingen in de lente van 1968, die zich allemaal – dus ook CVP en Volksunie, naast liberalen en socialisten die dit al langer verdedigden – uitspraken voor een tweeledigheid van de Brusselse universiteit. Maar ook binnen de ULB was ondertussen duidelijk geworden dat het unitaire scenario niet lang meer stand kon houden. Temeer omdat in die periode rond 1968 in Brussel het radicaal francofone FDF een sterke opgang maakte, iets wat zich ook op de ULB en bij het Franstalig gedeelte van de Raad van Beheer van de ULB manifesteerde. Bij die stroming, waar een zeker misprijzen tegenover de Vlamingen aanwezig was, groeide meer en meer de overtuiging dat het voor hen beter zou uitkomen om de Vlaamse delen van de universiteit af te stoten, weliswaar in de voor hen meest voordelige omstandigheden qua bijvoorbeeld financiering, beheer en bezit van het patrimonium, enz. Zoals Jeffrey Tyssens in zijn heel gedegen, gedetailleerde studie over het ontstaan van de VUB in de Tuin van Akademos schrijft: "Iedereen was nu als het ware "klaar" voor de scheiding, al was het nog niet helemaal duidelijk welke vorm deze precies zou aannemen.”

De definitieve doorbraak is er dan natuurlijk gekomen na de studentenrevolte in mei en de wekenlange bezetting, in navolging van Parijs, van de universiteitsgebouwen. Nochtans speelden de eisen van de Vlaamse studenten weinig of geen rol in deze hoofdzakelijk door de Franstalige studenten aangedreven acties. Uiteraard juichten de geëngageerde Vlaamse studenten de bezetting en de eisen, in de eerste plaats de democratisering van de universitaire structuren toe. Veel van hen hebben actief deelgenomen aan de bezetting en de acties daaromtrent, maar als groep zijn ze nooit aan bod gekomen, enerzijds door het enorme overwicht aan Franstalige actievoerders en contesterende organisaties, anderzijds ook omdat het wat chaotische en anarchistische karakter van de beweging het moeilijker maakte om als organisatie een coherent actieplatform op de dagorde te krijgen. De goede verstandhouding tussen Vlaamse en Franstalige contestanten hield wel in dat de legitieme eisen van de Vlamingen niet werden ontkend, maar als het ware stilzwijgend als een legitiem onderdeel van de contestatie werden bekeken. En anderzijds werden van Vlaamse kant – als vanzelfsprekend onderdeel van de contestatie – vanaf einde mei en begin juni eigen vrije volksvergaderingen georganiseerd met professoren, wetenschappelijk, administratief en technisch personeel en studenten. Met deze vier geledingen werd vanuit die volksvergaderingen een comité (CONUG, Comité Nederlandstalige Universitaire Gemeenschap) opgericht dat de onderhandelingen met de Franstaligen over de toekomstige tweeledigheid van de Brusselse universiteit zou gaan voeren.

Hoe dan ook, na mei 68 was duidelijk dat de oude unitaire, autoritaire structuren op instorten stonden. Vraag was alleen wat er in de plaats moest komen. Dat er daarin plaats moest zijn voor één of andere vorm van volledig of in elk geval grotendeels autonome Vlaamse vrijzinnige universiteit in Brussel werd nu ook door het overgrote deel van de Franstalige universitaire gemeenschap (en door het politiek bestel) aanvaard. De discussies hierover die uiteindelijk leidden tot de oprichting van de VUB op 1 oktober 1969, verankerd in de wet van 12 mei 1970, zijn uitvoerig beschreven in de hierboven vermelde studie van Jeffrey Tyssens.

Hoewel de studenten van BSG, zeker tot 1971 nog grotendeels gedomineerd door de SVB-militanten, uiteraard niet onverschillig stonden tegenover de discussies met de Franstaligen om de nieuwe VUB in de best mogelijke omstandigheden van start te laten gaan, lag de nadruk van hun acties nu op de democratisering van de nieuwe universitaire structuren. Een van de centrale eisen daarbij was een volledig paritair beheer – en dus volledige medezeggenschap – in de nieuwe structuren. Omdat hier niet werd op ingegaan, werd er in oktober 1968 een Brussels Studentenfront opgericht met onder andere BSG, SVB en Vrij Onderzoek. Een van de belangrijkste acties van dit Front was de boycot van de verkiezingen voor de nieuwe Raad van Beheer waarin voor de Vlamingen geen enkele gewaarborgde vertegenwoordiging was voorzien. Op 7 november 1968 verbrandden ze voor het standbeeld van Verhaegen hun verkiezingsoproepingsbrieven en organiseerden ze een optocht met zwarte vlaggen. Ook voor de tweede stemronde voor deze Raad handhaafden ze deze boycot, ondanks het sterk aandringen van de linkse Franstalige studentenorganisaties om, nu ze hun punt meer dan duidelijk hadden gemaakt, de linkse kandidaten te steunen die volgens hen – en waarschijnlijk terecht – meer oor zouden hebben naar de verzuchtingen van de Vlaamse studenten. Ook de samenstelling van de Tijdelijke Overgangsraad, die vanaf maart 1969 zou gaan fungeren als de facto eerste Raad van Beheer van de nieuwe VUB, stuitte op heel wat kritiek. De studenten vonden het een "professorenrepubliek", want studenten, assistenten en personeel samen kregen 15 stemmen op 40, maar uiteindelijk zouden er toch 7 studenten (1 per faculteit) gekozen worden om te zetelen in dit nieuwe orgaan. Alhoewel niet alle verkozenen rechtstreeks lid waren van SVB, mag toch gezegd worden dat ze allemaal geïnspireerd waren door het ideeëngoed van de radicale studentenbeweging. De strijd voor democratisering werd nu verder gezet binnen de structuren, wat binnen die eerste Raad van Beheer heel wat conflicten heeft opgeleverd, bijvoorbeeld rond de verkiezing van "externen" in de Raad van Beheer, de samenstelling en bevoegdheden van de faculteitsraden, het beheer van de sociale diensten, de invloed die politieke en industriële middens probeerden te krijgen op de werking van de universiteit, de autoritaire houding van de eerste rector, Aloïs Gerlo, tegenover acties en revendicaties van de studenten, enz. Heel wat van deze conflicten in de eerste jaren van de jonge VUB worden uitvoerig en gedocumenteerd beschreven in het artikel van Els Witte "Mei '68 en het ontstaan van de VUB" op de website van VUB 50 jaar.

In tegenstelling met bijvoorbeeld Leuven, waar onder invloed van de maoïstische stroming al vlug de focus kwam te liggen op de arbeidersstrijd en de militanten aangezet werden na en zelfs tijdens of in plaats van hun universitaire studies in de fabrieken te gaan werken, bleef het zwaartepunt van het Brussels studentenactivisme liggen op de strijd voor "een democratische universiteit". Dat wil niet zeggen dat het tweede deel van de VVS-slogan "in een democratische maatschappij" volledig opzij geschoven werd. Zo waren SVB-militanten bijvoorbeeld heel actief in de solidariteitsacties met de stakende arbeiders van Nestor-Martin en in de protesten tegen de provocatieve bijeenkomsten op de op een steenworp van de Hégerlaan gelegen ambassade van het fascistische Griekse kolonelsregime.

In het begin van de jaren 70 was de geest van het studentensyndicalisme van de jaren 60 dus nog duidelijk aanwezig in de Brusselse studentenbeweging. Wanneer en hoe dit dan niet lang daarna weggevloeid is, moet nader onderzocht wordt (tenzij het terug te vinden is in één van de werken die Els Witte in de bibliografie bij haar artikel heeft opgenomen). Feit is dat er in de verdere jaren 70 door de studenten zeker nog acties zijn gevoerd, denk maar aan de "strijd tegen de 10.000" (tegen de verhoging van het inschrijvingsgeld), maar dat er nergens nog sprake was van de analyse en maatschappelijke visie die in de jaren 60 zo'n opgang had gemaakt. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de eis die zeker in Brussel de overgrote meerderheid van de Vlaamse studenten had verenigd, namelijk de uitbouw van een autonome Nederlandstalige universiteit in Brussel, ondertussen was gerealiseerd. Een tweede verklaring is dat de sectaire discussies tussen allerlei linkse strekkingen en het zich terugplooien op het eigen gelijk, die in de jaren 60 al de Franstalige studentenbeweging hadden geteisterd, zich nu ook in Vlaanderen en ook aan de VUB begonnen te manifesteren.

Begin de jaren 70 werd nog wel, in navolging van Leuven, ook in Brussel een bar/café opgericht die de toepasselijke naam "'t Hol" kreeg. Het was gevestigd op de eerste verdieping van een rijhuis in de buurt van de Adolphe Buyllaan. De inrichting en de sfeer waren bohémien. Spijtig genoeg was beheer en boekhouding ook nogal bohémien, zodat het café geen lang bestaan heeft gekend.

Symptomatisch voor het uitdoven van de beweging is ook het mislukken van de pogingen van Eddy Sève, de centrale figuur binnen de Brusselse SVB, om een gemeenschappelijke strategie te vinden, nu de meeste militanten van de Brusselse SVB de universiteit hadden verlaten. De vergaderingen hiervoor gingen door, eerst in 1971 op zijn adres aan de Boondaalse steenweg, later in Jette waarheen hij na zijn huwelijk was verhuisd. De vergaderingen, hoofdzakelijk met "oud-strijders" die ondertussen al de universiteit verlaten hadden, maar ook met militanten die op dat ogenblik nog op de VUB actief waren, liepen stuk op de verschillen in visie. Bedoeling was een vorm van gemeenschappelijk programma en strategie voor de maatschappelijke ontwikkelingen vast te leggen, maar al onmiddellijk werd duidelijk dat ondertussen de verschillende visies – jongsocialisten, maoïsten, trotskisten, basissocialisten, partijlozen,... – zo uiteenlopend waren geworden dat elke vorm van samenwerking onmogelijk was. De studentenbeweging van de jaren 60 was ten grave gedragen. Een troost: de Vlaamse Universiteit van Brussel was er en zou verder openbloeien, misschien wel niet altijd in de vorm zoals de studentenbeweging ze zich had voorgesteld. En toegegeven, de studentenbeweging van de tweede helft van de jaren 1960 was zeker niet de enige kracht die aan de wieg van de VUB heeft gestaan, maar dat ze er een belangrijke rol in heeft gespeeld, valt niet te ontkennen.

 

Aanbevolen voor wie hierover een veel wetenschappelijker, veel uitgebreider en veel meer met documenten onderbouwde studie wil lezen, het hierboven geciteerde artikel "Mei '68 en het ontstaan van de VUB" van Els Witte op de website van VUB 50 jaar, en wie daar nog niet genoeg aan heeft, vindt nog meer dan voldoende inspiratie in de daarbij opgenomen bibliografie.