logo

U bent hier

“Het welzijn van de studenten kan gecorreleerd worden met een goede begeleiding"

De VUB heeft heel wat maatregelen genomen  om de verspreiding van het COVID-19 virus tegen te gaan. Maar wat zijn de gevolgen hiervan voor onze onderzoekers? Vicerector Onderzoeksbeleid professor Karin Vanderkerken is de best geplaatste persoon om daarop te antwoorden. 

Welke maatregelen nam de VUB ondertussen voor de onderzoekers? 
“We bieden vanuit het R&D-departement nog altijd dezelfde dienstverlening aan onze vorsers aan. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er niets veranderd is. Veel zaken zijn gedigitaliseerd, bijvoorbeeld alle R&D-infosessies en trainingen, maar ook alle doctoraatsverdedigingen. Ook de postdoc Appreciation Day kon volledig digitaal doorgaan.” 

“Om de vorsers te faciliteren, hebben we de interne calls van de Onderzoeksraad dit jaar zoveel mogelijk uitgesteld. Daarnaast werden de interne deadlines van FWO-projecten uitgesteld om vorsers meer tijd te geven. Dat betekende wel dat de R&D-medewerkers hiervoor in het weekend dienden door te werken. We hebben ook een budget uitgetrokken om COVID-onderzoek op de VUB te financieren.”

“Op de evaluatieformulieren van de projecten en mandaten gefinancierd door de Onderzoeksraad, wordt een extra paragraaf voorzien waar de vorsers kunnen invullen of COVID een impact gehad heeft op hun onderzoek en indien ja, wat die impact is. Dit zal ook voorzien worden op de voortgangsrapporten van de PhD studenten. Bij de evaluaties zal hiermee rekening gehouden worden. Een eerste enquête, afgenomen bij de PhD studenten, de PhD survey, in de lente gaf weinig impact van COVID aan, maar dit was uiteraard in de eerste golf en gaf zeker geen beeld van de impact op lange termijn. Volgende lente volgt een nieuwe, jaarlijkse, enquête en die zal dat wellicht beter in kaart kunnen brengen.”

Heeft u enig idee van mogelijke effecten op lange termijn?
“Uiteraard gaan er effecten zijn, iedereen heeft minder onderzoek kunnen doen. Als ik kijk naar mijn eigen onderzoekslabo, binnen hemato-oncologie waar bijvoorbeeld normaal gezien zes mensen in één laboruimte mogen, zijn er dat nu maar twee die toegelaten zijn. Er moet daarom enorm strak gepland worden, de tijd op de campus moet zo kort mogelijk blijven. Het aantal experimenten is daarom sterk gereduceerd. 
In de labo’s, waar experimenteel onderzoek gebeurt, is er vaak meer mogelijkheid voor PhD studenten om hun promotoren te zien. Maar in de humane wetenschappen bijvoorbeeld, zitten nu veel meer onderzoekers thuis omdat telewerk verplicht is, tenzij het niet anders kan onder andere wegens de essentiële infrastructuur die nodig is voor experimenten. Bij deze PhD studenten is het regelmatig contact met de promotoren sterk verminderd. We hebben daarom de studenten laten weten dat ze contact moeten opnemen met hun begeleiders. Hun promotoren hebben we apart aangeschreven met de vraag om regelmatig contact te hebben met hun PhD studenten. Dit kan perfect met bijvoorbeeld een Teams meeting, en dit niet alleen om wetenschap te bespreken maar ook om te polsen naar hun welzijn in deze moeilijke tijden en niet-werkgerelateerde zaken ook bespreekbaar te maken.”

“Maar ik denk ook aan de eerstejaarsstudenten die het nu moeilijk hebben. Ze zijn pas begonnen, hebben hun weg op de VUB en in Brussel nog niet gevonden. Ook voor PhD, en zeker ook de internationale PhD’s, en vooral de nieuw aangekomen, die hier nog geen sociaal netwerk hebben, moeten we aandacht hebben. Het is een groep die wel eens vergeten wordt. De promotoren hebben hier een essentiële rol en verantwoordelijkheid, zij kennen hun studenten. Wat uit de enquête die we elk jaar onder doctoraalstudenten houden naar voren kwam, is dat het welzijn van die studenten gecorreleerd kan worden met een goede begeleiding. Dat kan in deze COVID-tijden door bijvoorbeeld een wekelijkse of tweewekelijkse contactopname via Teams waarbij de resultaten en de planning van de week worden besproken. Dat geeft hen een houvast, richting en structuur en dat kan hen geruststellen. Zo’n contact hoeft niet langer dan een half uurtje te duren. Dergelijke houvast bieden, kan niet alleen al de onzekerheid verminderen en hierdoor ook bijdragen aan hun welzijn, maar kan ook de eenzaamheid enigszins verlichten.” 

Zou dat iets zijn voor de langere termijn, het post-COVID-tijdperk?
“Absoluut. Ik ben daar een groot pleitbezorger voor. Ik heb in mijn eerste termijn als vicerector al een aantal gesprekken gehad met promotoren waarbij de contacten met hun PhD’s wat minder goed verliepen. Ik kon daarbij enkel uit eigen ervaring spreken. Op mijn laboratorium rapporteren studenten elke week bij hun begeleider, COVID of niet. Elke twee weken organiseren we een labmeeting met alle studenten samen waarbij iedereen zijn resultaten presenteert. Tien minuten, gevolgd door vijf minuten discussie. Zo krijgen ze tegelijk een peer review waarbij andere studenten maar ook postdocs en laboranten tips and tricks geven. Op die manier onderhoud je een intenser en persoonlijker contact.” 

“Ik wil mijzelf hier zeker niet als de ideale promotor naar voren schuiven, er zijn meer mensen op de VUB die het zo aanpakken en wellicht ook nog betere practices hebben. Maar ik ben in de gelukkige omstandigheid dat ik tijdens mijn studies ook zo begeleid werd, ik heb deze aanpak dan ook niet uitgevonden.” 

Is deze manier van omgaan met studenten iets wat veel promotoren, docenten en professoren moeten leren?
“Dat vind ik wel. Het is ook een vorm van good practice. Wat jezelf hebt meegemaakt kan je doorgeven. We organiseren verschillende trainingssessies voor promotoren, niet alleen voor ZAP, ook voor postdocs, hoe je best PhD studenten kan begeleiden. We hebben zelfs een charter van de goede promotor.”

Over de gevolgen van de pandemie voor het wetenschappelijk onderzoek zijn al een aantal publicaties verschenen. Vicerector Vanderkerken verwijst daarbij graag door naar de resultaten van een enquête onder ruim 25.000 leden van hun academische community, die onlangs verschenen op de website van Frontiers, a leading open access publisher and open science platform.