logo

U bent hier

Medebeheer na het ontstaan van de VUB: niet gemakkelijk!

Voor 1969 hadden de studenten geen en de professoren nauwelijks ervaring in het samen besturen van een universiteit. Maar er moesten in dat eerste jaar zeer belangrijke zaken beslist worden. Jurist en oud-waarnemend-stadsecretaris van Antwerpen Manfred Vandewalle studeerde rechten (1966-1971), en werd studentenvertegenwoordiger van de faculteit Rechten in de raad van bestuur van december 1969 tot begin 1971. Hij was ook actief in Studenten Vakbeweging (SVB).

Ex-CFO Frank Segebarth studeerde wiskunde (1967-1971), en was redacteur van Residu, het blad van de Wetenschappelijk Kring in 1968-1969. Bovendien werd hij studentenvertegenwoordiger voor de faculteit Wetenschappen in de raad van bestuur in dezelfde periode als Manfred en was hij voorzitter van de Studentendiensten-Services Etudiants in het academiejaar 1970-71.  

Beiden getuigen over de moeizame samenwerking studenten en professoren in de beginperiode van de VUB. Manfred getuigt met herinneringen; Frank met een verslag in Residu.

Op 2 december 1969 werden zeven studentenafgevaardigden gekozen voor de raad van beheer van de VUB. Het was de stap van contestatie naar medebeheer. In het elan van de toenmalige studentenbeweging was dat geen breuk, want de studenten zetten in de bestuursorganen hun strijd verder. Het hielp dat ze als tegenstander een autoritaire figuur hadden die de tegenstellingen voortdurend aanzwengelde. Rector Gerlo was zo’n figuur. Een man met een gevuld verleden (verzetsman, flamingant, communist) die verloren liep in de antiautoritaire jaren na mei 68. 

De jaren 1969 en volgende vormden de periode van de uitbouw van de VUB. Het was dus voor diverse maatschappelijke structuren (politieke partijen, economische groepen) zaak om er snel bij te zijn. De studentenafgevaardigden kwamen onverhoeds terecht in de strijd om de coöptatie van acht extra-universitaire leden in de raad van beheer. Om het “ons kent ons”-systeem te doorbreken en deels om te provoceren stelden de studenten minister van onderwijs Piet Vermeylen en ACOD-secretaris Louis Melis voor. De professoren steigerden, maar de studenten haalden hun slag thuis. Er was stilaan eensgezindheid gekomen tussen de studenten en de afgevaardigden van de assistenten en van het technisch, administratief en werkliedenpersoneel.

Voorzitter van de raad van beheer werd de liberale politicus August De Winter. Een man die de kunst van het onderhandelen onder de knie had en kalm de soms emotionele discussies doorstond. Na de vergadering ging hij met de studentenafgevaardigden een pint pakken. 

De nieuwe VUB moest uiteraard statuten hebben. Zowel de professoren als de studenten zetten de hakken in het zand. Statuten hielden immers in dat de machtsverhoudingen voor lange tijd op papier zouden komen. Er werd geen overeenstemming bereikt in de werkgroep die de statuten voorbereidde. Er werd gemanoeuvreerd in plaats van overlegd. Het eindigde ermee dat de studenten ontslag namen uit de werkgroep. De statuten die achteraf werden goedgekeurd, waren een flauw afkooksel van wat de studenten voor ogen hadden.   

Ernstiger ging het er aan toe in de meer technische werkgroepen. De VUB was nog gevestigd op de oude campus van de Solbosch. De nieuwe universiteit zou op het Oefenplein van de rijkswacht langs de Generaal Jacqueslaan komen. De werkgroepen die dit voorbereidden hielden rekening met de zowel principiële als praktische verzuchtingen van de studenten. Dat ging over de inrichting van auditoria, labozalen en bibliotheken, maar ook over restaurants, studentenhuizen, vergaderzalen en groene zones.

De sociale commissie nam dan weer een valse start, nadat de rector en enkele professoren zich publiek keerden tegen een studentenafgevaardigde die hen niet zinde.   

De studentenafgevaardigden in 1969-1970 kwamen van verschillende achtergronden. Enkelen waren militant van SVB (studentenvakbeweging), enkelen waren progressief zonder organisatorische bindingen, een enkele had vooral de toekomst van zijn faculteit voor ogen. Gans de bestuursperiode vormden ze echter een geheel dat zich niet uit elkaar liet spelen.