logo

U bent hier

Mei '68 en het ontstaan van de VUB

Mei ‘68, de wereld weet niet wat haar overkomt. Plots staan er jongeren op de barricades in de grote Europese steden. Het zijn de kinderen van de modale burger en de elite, die niet begrijpt wat er gebeurt. Na WO II is de wereld in sneltreintempo veranderd, maar de mentaliteit niet. Jongeren eisen een wereld zonder oorlog en medezeggenschap door democratische structuren...

Prof. dr. Els Witte, gerenommeerd historica en ererector van de VUB bespreekt de standpunten en houding van de Brusselse studenten in die woelige periode.

U mag hier van mij geen getuigenis verwachten. Pas in het midden van de jaren zeventig werd ik docent aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Ik maakte mei '68 - of liever '69 - mee in Gent, waar ik actief was in de strijd voor het statuut van de vorser en van de NFWO'er in het bijzonder. Mijn overzicht is dus gebaseerd op werken over de beginperiode van de VUB. Onder leiding van Frank Scheelings zag ondertussen aan de VUB een archiefdienst het licht, met veel waardevolle stukken over de contestatiebeweging. Ter aanvulling deed ik ook nog een aantal interviews met collega's die het allemaal van heel dichtbij hebben meegemaakt. Dat alles stelt me in staat twee hypothesen naar voor te schuiven die echter nog verder dienen uitgewerkt te worden: 1. de versnelling van het splitsingsproces is grotendeels toe te schrijven aan de contestatiebeweging van mei 1968; 2. deze beweging deed een VUB ontstaan die in de Vlaamse context de meest democratische structuren én mentaliteit meekreeg. Maar voor ik verder ga met deze twee bevindingen, moet ik toch - heel in het kort weliswaar - een beeld schetsen van de Nederlandstaligen aan de ULB aan de vooravond van mei '68.

De Nederlandstaligen aan de ULB aan de vooravond van mei '68

Wat opvalt is dat de Université libre de Bruxelles (ULB) slechts een heel beperkt aantal Nederlandstalige studenten telde, wat helemaal niet in overeenstemming was met de universitaire expansie die zich overal manifesteerde en ook bij de meisjes. In Vlaanderen maakte die uitbreiding onderdeel uit van een inhaalbeweging. De Franstalige ULB deelde zonder meer in die expansie, die een antwoord was op de vraag naar beroepen met een universitair diploma en naar een meritocratische laag aan de top van economie en politiek. Tussen 1955 en 1965 had er in de ULB een verdubbeling plaats en was er dus een toevloed aan studenten (ca.8000), die niet alleen financiële problemen maar ook problemen op het vlak van de infrastructuur stelde.

De Nederlandstalige studenten maakten daarvan nauwelijks 13% uit. Dat aantal lag ver onder het potentieel dat vrijzinnige, liberale, socialistische, communistische en syndicale Vlaamse milieus bezaten, samen met afgestudeerden uit het officieel onderwijs en uit Vlaamse gezinnen in Brussel en Vlaams Brabant. Dat merkte men maar al te goed uit de groeicijfers van de onafhankelijke VUB. Na vijf jaar had ze al 5.000 studenten, twintig jaar later 10.000 studenten en nu is men op weg naar 15.000. Aan de vooravond van mei '68 volgden de Vlamingen aan de ULB dus geenszins de algemene groeitrend.

Dat kon ook moeilijk. Slechts een paar opleidingen, zoals de Rechten en enkele afdelingen in de Letteren en Wijsbegeerte kenden een zekere traditie, maar andere waren nog maar pas opgestart of moesten nog beginnen met Nederlandstalige colleges. Midden jaren 1960, onder rector Leroy - waarover verder meer - werd de verdubbeling zelfs tegengehouden. Veel keuzemogelijkheden hadden de Vlaamse studenten overigens niet. Gespecialiseerde opleidingen moesten immers niet verdubbeld worden. Maar ook belangrijke specialismen waren er niet. Toen ik Hedendaagse Geschiedenis in Brussel wilde studeren, was die opleiding er nog niet. Met de gereputeerde Gentse afdeling van Jan Dhondt kon dus moeilijk geconcurreerd worden. De verdubbeling betrof bovendien enkel het onderwijs en niet het onderzoek, noch zijn infrastructuur. Kortom, om de concurrentie met Gent aan te gaan, hadden de Nederlandse colleges aan de ULB weinig aantrekkingskracht. De inschrijvingsgelden waren er bovendien vier maal hoger dan in Gent. Aan de ULB kwamen de Vlaamse studenten vooral uit de stedelijke middenklasse. Antwerpen, Brussel, Mechelen, Vilvoorde en Oostende leverden de meeste studenten. Beursstudenten waren er naar verhouding weinig.

Het Franstalige professorenkorps was aan de vooravond van mei '68 meer dan verdubbeld en bedroeg meer dan 600 leden. Het aantal Nederlandstaligen situeerde zich rond 23%, maar als men naar de fulltime professoren kijkt, dan bedroeg hun aandeel slechts 14%. Het was een diverse groep die gerekruteerd werd uit Vlaamse ULB-doctors, uit vrijzinnige Gentse afgestudeerden met een doctoraat, uit ULB-professoren die Nederlands kenden of het leerden. Hoewel ook gezaghebbende en perfect tweetalige professoren in de Rechten en Letteren en Wijsbegeerte doceerden, waren het toch vooral jonge docenten die meestal uit linkse hoek kwamen en voor wie de doorstroming van vorser naar docentschap vrij snel was gegaan. Op een aantal onder hen kwam er kritiek. Zo verdacht men van Vlaamse kant de ULB ervan een aantal van hun gedoctoreerden voor wie bij hen geen plaats was, te "caseren" in de Nederlandse afdelingen. De vrees voor tweederangsprofessoren was dus aanwezig. Ook op de gebrekkige kennis van het Nederlands van sommigen kwam kritiek. Het kon inderdaad niet ontkend worden dat het Nederlands van sommige Franstalige Vlamingen zich beperkte tot een veredeld dialect. De Vlamingen wilden échte Nederlandstaligen, zeker nu al sinds 1932 verschillende generaties hun middelbare schoolopleiding volledig in het Nederlands kregen. Maar zowel Nederlandstalige als Franstalige jonge docenten hadden in de faculteiten weinig te zeggen, wegens het monopolie van de (gewone) hoogleraren. De meesten wilden dus meer zeggenschap. Die faculteiten bleven unitair en dat er enkel Frans kon worden gesproken, vonden Nederlandstaligen vervelend, ook al konden ze zich in die taal goed uitdrukken. Meerderen zagen er toch een handicap in.

Zolang er geen volledige vernederlandsing plaatshad, was de rekrutering van assistenten en vorsers eveneens beperkt. Meer assistenten om de toenemende stroom van studenten te begeleiden en meer mogelijkheden om een onderzoekscarrière te beginnen waren gekende eisen in die periode. Aan de ULB verdubbelde de groei van deze groep en telde hij meer dan 500 leden. Aan Vlaamse zijde ging het om een honderdtal leden, en als men de groep vergelijkt met het aantal professoren dan bedroeg dit aantal nauwelijks 8% van dit corps. Ook hier was dus een inhaalbeweging nodig. Maar zowel bij Franstaligen als bij Vlamingen ging het meestal om mensen van de linkerzijde, die zich geenszins wilden neerleggen bij de vrij feodale verhoudingen die er tussen proffen en assistenten heersten. Hoe jonger de professoren, hoe dichter ze bij het wetenschappelijk personeel (WP) en de studenten stonden. In de socialistische vakbond (ACOD-CGSP) speelde het WP een niet onbelangrijke rol. Die trok ook administratief en technisch personeel aan, dat over een eigen Aktiecomité beschikte. Maar met de rekrutering van deze laatste groep Nederlandstaligen was men nog maar nauwelijks begonnen. De tweetaligheid van de administratie stelde niet veel voor en richtte zich vooral op inschrijvingen en examens. Zelfs in 1969 was die groep nog niet veel uitgebreider dan het WP. De belangrijke diensten en het beheer van de universiteit bleven immers Franstalig en ook de Vlamingen werkten in een Franstalige context.

(Lees verder onder de afbeelding)

En hoe zat het met de Vlaamse studenten van de ULB? Bijna alle getuigen hebben het over sterk politiek geëngageerde studentenverenigingen, waar het merendeel van de studenten op de één of andere wijze bij betrokken was. De liberalen waren kennelijk in de meerderheid maar de Nederlandstalige tegenhanger van Libre Examen, Vrij Onderzoek, zorgde vanaf het midden van de jaren zestig voor een duidelijk links profiel. De Nederlandstalige studentenverenigingen werkten apart, wat door de ULB-overheid niet altijd geapprecieerd werd. Dat had wellicht ook te maken met de lange traditie die sommige verenigingen kenden. Geen Taal Geen Vrijheid ging al terug tot het midden van de 19de eeuw en na veel ups en downs werd de vereniging onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog als Brussels Studentengenootschap (BSG) ook een overkoepelende vereniging van de facultaire kringen die ondertussen waren ontstaan. Toch heerste er een goede verstandhouding tussen Nederlandstalige en Franstalige studenten, zeker tussen BSG en Association générale des Etudiants (AGE) en tussen het zeer actieve Librex en Vrij Onderzoek. Dopen werden afzonderlijk georganiseerd maar Saint V was één studentikoze Brusselse manifestatie.

De contestatie versnelt het splitsingsproces

In het midden van de jaren zestig komt een volwaardige Nederlandstalige afdeling, die niet enkel onderwijs maar ook onderzoek, administratie en beheer omvat, op de agenda van de Vlaamse beweging. Dat heeft natuurlijk veel te maken met de ontwikkeling van de communautaire kwestie in die jaren. Gevoed door bredere processen van economische, sociale en politieke emancipatie hadden de Vlamingen taalmarsen georganiseerd, de vastlegging van de taalgrens en taalwetten afgedwongen, en om de verfransende invloed in Vlaams Brabant tegen te gaan, Brussel tot negentien gemeenten beperkt. De plannen tot uitbreiding van de Université Catholique de Louvain (UCL) in de driehoek Leuven-Waver-Brussel leidde in 1966 tot gewelddadig protest van de Vlaamse Leuvense studenten. Het voertaal-streektaalprincipe, aanvaard in 1932, werd nu door de Vlaamse beweging toegepast op de universitaire inplantingen. Een tweede gewelddadig protest met de door extremisten gehanteerde en door Franstaligen zo gehate slogan "Walen buiten", leidde begin 1968 tot de val van de regering, tot de verkiezingen van eind maart 1968 (met een overwinning van de Volksunie), en tot het regeerakkoord van midden juni 1968. Het parallellisme tussen de Leuvense kwestie en de Brusselse universitaire eisen mag dus geenszins onderschat worden. Dat de tegenkanting aan Franstalige kant bijzonder groot was, is gekend. In Brussel zag het Front Démocratique des Francophones (FDF) het licht, werd er de grootste partij, en brak samen met het Rassemblement Wallon (RW) door op nationaal vlak. De taalwetten bedreigden de Franstalige banen, en hadden dus ook implicaties in vakbondskringen. Zo kwam ook het MPW (Mouvement Populaire Wallon) voor de Franstalige belangen op. Het federale denken stak meer en meer de kop op.

Aan de ULB hadden de Vlamingen al langer geijverd voor de versnelling van de vernederlandsing, maar die acties waren vooral op het vrijzinnige karakter gefocust en hadden, met het oog op de rekrutering van studenten, goede banden met het officieel onderwijs uitgebouwd. Een speciale drukkingsgroep werd opgericht (VNVHO), evenals een oudstudentenbond (OSB) en ook het BSG was ter zake actief. Vooral met de Vlaamse liberale prominenten en hun zuilorganisaties waren er veel connecties; die waren er ook met socialisten, maar in mindere mate, zij het dat de vakbond heel wat steun bood. In het algemeen ging het om vrij grote bedragen. Een aantal van deze politici zorgde er tevens voor dat een twintigtal Vlaamse gemeenten en ook sommige provincies financiële hulp boden. Vanaf 1965 deed de Vlaamse beweging haar intrede aan de ULB. De Vereniging van Vlaamse Professoren (VVP), waarin de toekomstige KULeuven-rector, Piet De Somer, een prominente rol speelde, vormde ook bij de Vlamingen aan de ULB een kleine maar dynamische groep waarvan Frans De Pauw en vooral Aloïs Gerlo de spil vormden en voor de lobbying in de Vlaamse beweging zorgden. Tijdens de verkiezingen van begin 1968 hadden alle Vlaamse partijen de tweeledigheid van de Brusselse universiteit in hun programma opgenomen, niet enkel de Vlaamse liberalen en de (socialistische) Rode Leeuwen, maar ook de VU en de CVP.

Intern waren er eveneens factoren die de Vlamingen ertoe aanzetten hun plaats aan de ULB met meer aandrang op te eisen. De verkiezing van rector Leroy, die samen met andere Franstaligen aanleunde bij Le Rassemblement pour le droit de la liberté, zorgde voor spanningen. We zagen al dat Leroy de vernederlandsing afremde en het Franstalige karakter van de ULB voorop zette. Een verdubbeling van onderzoek en administratie zou er niet komen. De Vlamingen moesten hun voordeel maar doen met het contact met de universele taal die het Frans was. Die visie, die in Franstalige kringen een breed draagvlak had, stond niet enkel haaks op de Vlaamse eis voor tweeledigheid maar werd door heel wat Vlamingen als een uiting van dedain voor de Nederlandse taal gezien. Heel wat Franstaligen opteerden er echter voor om de ULB volledig Franstalig te houden en de Vlamingen hun eigen weg te laten gaan, ook als dat een uitkoopsom moest inhouden. De aanwezigheid van FDF-Jeunesse op de campus deed de spanningen eveneens toenemen. In november 1967 was afgesproken dat noch het FDF, noch de radicale flaminganten van het VNSU als studentenkringen erkend zouden worden. Toen dat voor de FDF-jongeren wel gebeurde, protesteerde zelfs het Vrij Onderzoek tegen de erkenning van het "fascistische FDF". Incidenten bleven niet uit en vooral de Franstalige Rechtenstudenten waren kennelijk erg actief. Zelfs het "keer terug naar uw dorp" was soms aan de ULB te horen.

De spanningen werden tevens opgedreven door de financieringswet van 1965. De beide universiteiten, UCL en ULB, kregen voor hun verdere vernederlandsing een flinke som toegewezen. Controle op de uitgaven was aan de ULB niet mogelijk en veroorzaakte heel wat argwaan bij de Vlamingen. Achteraf bleek inderdaad dat slechts 23% van de gelden naar de Vlamingen ging en met de rest de noden van de ULB gelenigd werden. Omdat de Vlamingen dus niet kregen waarop ze rekenden, had deze wet een desintegrerend effect en diepte hij de Vlaamse eisen binnen de ULB uit. De studenten verlieten de academische openingszitting en er kwam studentenprotest op Saint-V. De eis voor de volwaardige tweeledigheid binnen de instelling werd nu algemeen: in december 1967 kwam er een gemeenschappelijk standpunt van OSB, VNVHO, VVP en BSG en in maart 1968 bepleitten de Vlaamse professoren twee beheerraden, gescheiden faculteiten en bestuurlijke onafhankelijkheid. Kortom, aan de vooravond van de contestatie waren de verhoudingen veel moeizamer geworden en dacht men in de richting van een onafhankelijke VUB, met enkel nog een overkoepelend gezamenlijk orgaan. De Vlaamse partijen en de pers lieten niet na deze ontwikkeling naar autonomie te stimuleren.

Vanaf midden mei '68 begon de contestatiebeweging aan de ULB, met zijn gekende protestacties, zijn bezettingen en zijn vrije vergaderingen. In Glaverbel huurde de academische overheid lokalen waar, wie wilde, examens kon afleggen. Voor de actieven was een derde zittijd bedongen. Over de rol van deze contestatiebeweging voor de werking van en het klimaat aan de VUB hebben we het zo dadelijk. Laat ons het eerst hebben over de interactie met de splitsingsbeweging. Alle getuigen zijn het er over eens dat de contestatie in de eerste plaats een zaak van de Franstaligen was. Vlaamse leidersfiguren waren weinig talrijk en van prominente, actieve deelname van Vlamingen aan de vergaderingen was er weinig sprake, noch in het professorenkorps, noch bij de studenten. Maar diezelfde getuigen zijn het er evenzeer over eens dat in de kringen van de contestanten de relatie tussen Nederlands- en Franstaligen helemaal niet negatief was, en er integendeel samengewerkt werd. Zo bleken de talrijke uitnodigingen en moties voor en van de vrije vergaderingen meestal tweetalig te zijn, Vlamingen kwamen er soms aan het woord, zeker als ze goed tweetalig waren, spandoeken voor de Vlaamse en Waalse bewegingen hingen soms broederlijk naast elkaar, perscommuniqués werden soms gezamenlijk uitgegeven, AGE en BSG steunden samen het recht op bezetting, Librex en VO waren samen actief, etc. Kortom, de goede verstandhouding bleef gehandhaafd. De tweeledigheid van de universiteit stond uiteraard niet voorop. De contestanten hadden andere katten te geselen : de democratisering van de universiteit was voor hen van primordiaal belang. De rechten van de Vlamingen aan de ULB werden echter niet ontkend, maar veeleer als een legitiem onderdeel van de contestatie bekeken. De Vlaamse contestatie bezat immers ook een emancipatorisch, progressief en vrijzinnig karakter en was geenszins Vlaams nationaal. Als er al conflicten waren dan kwamen ze uit FDF-hoek, waar men zich sterk afzette tegen contacten met linkse Leuvense studenten. Voor AGE ging dat trouwens ook te ver. De komst van Paul Goossens als spreker naar de vrije vergadering lokte dan ook protest uit.

(Lees verder onder de afbeelding)

Van Vlaamse zijde organiseerden VVP en BSG einde mei en begin juni 1968 eigen vrije volksvergaderingen. Tweeledigheid én democratische structuren vormden nu samen de doelstelling. Protagonisten als Frans De Pauw en Aloïs Gerlo waren er nu ook actief. Financiële scheiding, tweeledigheid en de erkenning van een aparte Nederlandstalige universitaire gemeenschap werden bijgevolg gekoppeld aan de eisen van de contestatiebeweging. De vertegenwoordigers van de linkervleugels speelden op dat vlak zeker een rol. Van daaruit ging men wat later over tot de oprichting van een comité dat de verenigingen van de Nederlandstalige gemeenschap coördineerde en de structurele tweeledigheid tot doel had (CONUG). Dat rector Homes die tweeledigheid nu eveneens voorop zette, vormde uiteraard een stimulans. Toen de onderhandelingen met de hervormingsgezinden begonnen, kon een goed georganiseerde CONUG zich dan ook als de legitieme vertegenwoordiger van de VUB presenteren. Ook de studenten zetten druk op de ketel: op 7 november 1968 verbrandden ze voor het standbeeld van Verhaegen hun verkiezingsoproepformulieren en organiseerden een optocht met zwarte vlaggen. Uit de onderhandelingen, waarin de democratisering van de oude ULB-structuren doorgedrukt werd, ontstond een overgangsraad die besliste dat de onafhankelijkheid tegen oktober 1969 zou gerealiseerd worden. Een verkozen Tijdelijke Nederlandse Raad zag daartoe eind februari 1969 het licht. Inzake het statuut van de nieuwe universiteit hakten regering en parlement de knoop door: er kwamen vier nieuwe rechtspersonen, twee in Leuven en twee in Brussel. Parallel met Leuven kwam dus ook in Brussel in 1970 een volledige splitsing tot stand.

Samengevat : mei '68 is ook voor het splitsingsscenario en het ontstaan van de VUB zonder meer van belang geweest. De eisen waren voordien al geformuleerd en organisatorisch stond al een en ander op poten. In mei '68 werd de tweeledigheidseis echter gekoppeld aan de contestatie. De progressieve ULB-groepen hadden nu veel meer te zeggen en niet langer de overtuigde Franstalige professoren en bestuurders deelden enkel de lakens uit. Links domineerde in deze periode de onderhandelingen aan de ULB en van dat klimaat heeft de VUB mee geprofiteerd. De politieke ontwikkelingen inzake de Leuvense kwestie versterkten tevens de legitimiteit van de VUB-eis. De contestatiemaanden zorgden aan Vlaamse zijde bovendien voor nauwere contacten tussen de verschillende verenigingen van de Nederlandstalige gemeenschap en voor betere coördinatie, voor eenheid in het eisenprogramma en betere samenwerking tussen de verschillende universitaire geledingen. Het instrument van de vrije vergaderingen werd daartoe zelfs ingeschakeld. Een valabele gesprekspartner, aangepast aan de toenmalige ideologische verhoudingen binnen de ULB, diende zich dus aan Nederlandstalige zijde aan. Dit alles verliep niet feilloos en ook het verlangen van de Franstaligen naar een Franstalige universiteit zonder Vlamingen, bleef een factor van belang. Maar hoe dan ook, de autonome VUB kwam er vrij snel. Maar wat kwam er nu terecht van de democratiseringseisen?

De VUB : een Vlaamse universiteit met sterke banden met de contestatiebeweging

Daar waar er over de ontstaansgeschiedenis van de VUB al degelijk onderzoek bestaat, is dat in veel mindere mate het geval voor de impact die mei '68 op de structuren, de werking en de mentaliteit van de VUB heeft gehad. In welke mate sloot het gedachtegoed aan bij dat van de ULB of werden er andere accenten gelegd? Hoe zat de Nederlandse universitaire gemeenschap op politiek-ideologisch vlak in elkaar, hoe verhield ze zich tot de contestatie en welke invloed hadden die krachtverhoudingen op de besluitvorming in de beginperiode? Vragen waar we in deze fase van het onderzoek slechts approximatieve antwoorden kunnen op geven, met veel pistes voor verder onderzoek.

(Lees verder onder de afbeelding)

Laat ons beginnen met een (rudimentair) overzicht van het gedachtegoed. In navolging van de ULB stonden ook aan Vlaamse kant de democratische universitaire structuren centraal. Studenten, wetenschappelijk en administratief-technisch personeel eisten allen hun plaats op. Maar in tegenstelling tot de ULB, waar komaf moest gemaakt worden met een alliantie van conservatieve professoren, met twee machtige, rivaliserende beheerders op wie weinig controle was en een raad waarin politici en vertegenwoordigers van de industrieel-financiële sector de dienst uitmaakten, kon men aan de VUB een nieuwe start maken. De idee van de participatiedemocratie was er heel levendig aanwezig en breed gedragen. Een verkozen raad van bestuur met gelijkheid tussen de verschillende geledingen was het doel van vele hervormingsgezinden. Inspraak in de rekrutering van professoren en assistenten, in de samenstelling van de programma's, in de organisatie van de lessen en de examens maakten eveneens deel uit van het eisenpakket van de studenten en aangezien de faculteiten daarover gingen, richtte de actie zich in de eerste plaats op de werking van de faculteiten. In een periode waarin nog geen 5% van de actieve bevolking een diploma hoger onderwijs bezat, was het evident dat sociale eisen eveneens op de agenda stonden: lage inschrijvingsrechten, studiebeurzen voor wie een laag inkomen had, universitaire sociale voorzieningen, en vooral een voor iedereen toegankelijke universiteit waar het gelijke kansenmodel hoog in het vaandel stond.

Mentale barrières doorbreken, taboes wegwerken, een kritische open geest voorop stellen, dat alles lag ook al voor 1968 in de lijn van het vrijzinnige denken. Ook bij de Vlamingen. De contestatie versterkte deze houding en focuste op nieuwe terreinen. Dat mei '68 van belang was voor de seksuele revolutie, moet niet meer herhaald worden. Wat er aan de ULB groeide in verband met het ter beschikking stellen van contraceptiva, seksuele begeleiding of openheid voor erotiek in kunst, literatuur en film, was ook bij de Vlaamse studenten aanwezig. Aan de VUB zullen die programma's verder worden gezet. Dat enkele jaren later ook de VUB een centrale rol zal spelen in het liberaliseringsproces van de abortuswetgeving, is gekend. Van vrouwonvriendelijkheid, die elders nog veelal heerste, was evenmin sprake. Meisjesstudenten waren een normaal gegeven, en ook benoemingen van vrouwelijke assistenten en docenten waren er minder uitzonderlijk dan aan andere Vlaamse universiteiten, ook al bleven de percentages nog bijzonder klein.

Ook aan de ULB-VUB werd de strijd tegen de conservatieve universiteit een breekijzer voor een veel omvattender sociale beweging, die de strijd tegen de techno-bureaucratische dominantie van het toenmalige kapitalisme aanbond. Marxistisch geïnspireerde analyses overheersten in deze linkse kringen. Hoewel de groep die deze nieuwe hegemonie samen met de arbeiders wilde aanpakken en op een sociale revolte hoopte, aan Vlaamse zijde beperkt was, liet hij zich tijdens de contestatie toch horen. Een grotere aanhang hadden diegenen die de internationale politiek viseerden. Mei '68 viel samen met de Vietnamoorlog, met de dictatuur van de Griekse kolonels en in Spanje en Portugal waren nog steeds dictaturen aan de macht. De strijd tegen de Verenigde Staten, de Griekse kolonels, de repressie in Portugal en het fascisme in het algemeen stonden dan ook heel centraal in het protest van mei '68. Franstaligen en Nederlandstaligen stonden aan dezelfde kant. Vooral op dit terrein werkten de studenten samen. Het waren immers de thema's van alle linkse groepen.

(Lees verder onder de afbeelding)

Maar wie waren nu precies de protagonisten van een VUB die de doelstellingen van de contestatie moest realiseren? Een vraag met een complex antwoord. Universiteiten zijn immers ook vrijplaatsen voor geëngageerde intellectuelen die zich onafhankelijk willen opstellen en/of zich op die manier profileren. Precieze antwoorden moeten dus gebaseerd zijn op grondig individueel onderzoek naar de opstelling van alle actieve betrokkenen, informatie die vandaag nog goeddeels ontbreekt. Toch brengen de VUB-verenigingen ons op het spoor van een aantal politieke verhoudingen. Zo mag de rol van Vrij Onderzoek geenszins onderschat worden. Niet enkel omdat de kring minstens een honderdtal actieve leden telde, maar ook omdat hij zich spiegelde aan Librex, die in het voorbereidingsproces van de contestatie van grote betekenis is geweest en banden met de Parijse protestbeweging had. Ook VO trok linkse studenten uit verschillende stromingen aan, organiseerde voordrachten waarop gekende linkse intellectuelen werden uitgenodigd, was op een kritische wijze met de cursussen bezig, probeerde interessante publicaties tot stand te brengen en protesteerde volop tegen de Vietnamoorlog en de Griekse kolonels. Zo ging één van de leden naar Parijs om een uitgenodigde Noord-Vietnamese politicus op te halen, en werd hij er op de ambassade ontvangen. Erotiek hoorde eveneens tot de vorming die VO de leden wilde meegeven, overigens zeer tot ongenoegen van sommige puriteinsere leden van VVP. Voor hen was het pornografie.

Zicht krijgen op de groepen die zich in 1968-1970 links van het socialisme bevonden aan de VUB is niet eenvoudig. Zo weten we dat er zich onder de jonge docenten die de overstap van de ULB naar de VUB deden, meerdere communisten bevonden. Communisten of oud-communisten? In het midden van de jaren zestig had de pro-Chinese Jacques Grippa in Brussel een scheuring in de Kommunistische Partij van België (KPB) veroorzaakt, die ook de sterke ULB-afdeling van de PCB had aangetast. Professoren met een communistisch etiket of verleden waren er in meerdere VUB-faculteiten, maar toch vooral in de Wetenschappen en Toegepaste Wetenschappen, waar ze niet zelden beleidsverantwoordelijkheid opnamen. Het aantal KPB-jongeren stelde niet veel voor. Aan de ULB was er een afdeling, die weliswaar tweetalig was, maar een aparte Vlaamse groep kwam ik niet op het spoor. Zij profileerden zich kennelijk niet gemakkelijk als een afzonderlijke groep, wellicht omdat ze het taalregime ondergeschikt achtten aan hun politieke doelstellingen. Nog ingewikkelder is de samenstelling van de groep die in het midden van de jaren 1970 de Revolutionaire Arbeidersliga zou worden. Weer was er aan Franstalige kant in 1968 al een afdeling van de Vierde Internationale, maar niet aan de VUB. Ook de Socialistische Jonge Wacht, die open stond voor trotskisten, zag aan de VUB pas in 1970 het licht. VUB-trotskisten kwamen dus ofwel van de ULB, ofwel van Gent, waar hun organisatie al wat verder stond. In deze linkse kringen trof men echter ook een aantal anarchistisch-ingestelden of ook al eens een Provo-aanhanger aan. Heel scherp afgebakend was het dus allemaal niet.

In Leuven ontstond onder leiding van studentenleider Paul Goossens de Studenten-vakbeweging (SVB). In december 1967 volgden de Vlaamse studenten van de VUB zijn voorbeeld. Ze kwamen vooral uit de kringen van de beursstudenten. Dat die groep aan de VUB bijzonder klein was, kloegen ze in hun pamfletten regelmatig aan. Voor de radicalisering van de studenteneisen was SVB niet zonder belang. Als studentenvakbond focuste ze daar immers sterk op. Maar SVB bond ook de strijd tegen de bourgeoisie aan. In Leuven ging men deelnemen aan fabrieksstakingen. In het Brusselse was er in deze periode evenmin gebrek aan stakingen (Citroën, Michelin) maar het bleek voor SVB-Brussel moeilijk om met de fabrieksarbeiders banden aan te knopen. Dat gold kennelijk ook voor de Union Usines Université van de ULB. Zoals in Leuven evolueerden een aantal SVB-leden in de richting van het maoïsme. Anderen zetten zich in voor een democratische VUB en zetelden in beheersorganen. Van een sterke maoïstische stroming kan in de ontstaansfase van de VUB dus niet gesproken worden.

Het socialisme was medio jaren zestig ook geconfronteerd geweest met radicalere afscheuringen. La Gauche en later Links waren er het resultaat van. Onder de docenten telden deze bewegingen een aantal medestanders, terwijl de toenmalige minister van Onderwijs, Piet Vermeylen, een vrij uitgesproken linkse centrumfiguur was. Zoals een aantal PSB-figuren een belangrijke rol speelden in het ULB-hervormingsproces, zo verleende Vermeylen veel politieke steun aan het ontstaan van de VUB. Socialisten die de partijlijn volgden, trof men tot slot ook aan in de hervormingsbeweging. Ze behoorden meestal tot het professorenkorps en tot de topambtenaren. Er waren ook Jong Socialisten aan de VUB maar die lieten zich weinig horen.

In heel deze heterogene linkse wereld speelde de socialistische vakbond een niet onbelangrijke coördinerende rol. Communisten en oud-communisten uit de ULB hadden zich vanaf de jaren zestig op vakbondsacties toegelegd. Aan Franstalige kant had de socialistische vakbond veel aanhang, maar ook aan Vlaamse zijde ontwikkelde ACOD zich relatief snel. We zagen al dat het ATP een eigen organisatie had - tijdens de universiteitsbezetting had er voor hen heel wat op het spel gestaan - maar ze sloot vervolgens eveneens bij de vakbond aan. Via de vakbond kon er dus gewerkt worden aan de vorming van een alliantie van hervormingsgezinden. Voor de kanalisatie van de contestatie in de richting van onderhandelingen en de formulering van concrete objectieven en eisen, speelde hij dus zonder meer een rol. De latere rector, Roger Van Geen, was één van de spilfiguren en had nauwe banden met vakbondsleider Georges Debunne.

Dat Vlaamse liberalen in het ontstaansproces van de VUB een centrale rol hebben gespeeld, liberale studenten heel wat aanhang hadden, en een aantal professoren in de humane wetenschappen een duidelijk liberaal profiel hadden, moeten we niet meer herhalen. In de democratische beweging treft men hen in veel mindere mate aan, noch bij de studenten, noch bij het academisch personeel. Aan de top van de universiteit werd voor een politiek evenwicht tussen socialisten en liberalen gezorgd, en dank zij de actieve rekrutering van ATP groeide ook de liberale vakbond. Prominente hervormers telde de groep liberalen echter niet, maar ook geen heftige tegenstanders. De meeste liberalen aan de VUB waren veeleer sociale liberalen.

Centrum-links, links en uiterst links hadden dus duidelijk het overwicht in de democratiseringsbeweging. Maar dat wil niet zeggen dat er geen strijd gevoerd werd en er geen interne conflicten opdoken. De invulling van het pariteitsbeginsel in de verkozen bestuursorganen was er het beste voorbeeld van. Deze strijd begon al vroeg. Tijdens de contestatie had ook het overkoepelende BSG geopteerd voor een vierledige pariteit tussen professoren, studenten, wetenschappelijk en administratief-technisch personeel, 4 maal 25% verkozenen dus. CONUG had eveneens ingestemd met de aanwezigheid van studenten en personeel. Het protesteerde dan ook toen de overgangsraad enkel professoren zou verkiezen, maar zwakte het vierledige principe toch af tot "een billijke vertegenwoordiging". Gerlo en de VVP verzetten zich ondertussen duidelijk tegen de vierledigheid. Er kon wel inspraak en medezeggenschap zijn, maar de professoren mochten niet door coalities van de andere geledingen overvleugeld worden. "Demagogisch egalitarisme" vond de nieuwe rector onverantwoord. Een tweederangsuniversiteit mocht de VUB op die manier niet worden. Na tal van heftige conflicten in de Raad van Bestuur haalde een compromis het: een minderheidsparticipatie van de andere geledingen versus de sterkste groep samengesteld uit professoren.

In de faculteiten hadden die discussies ondertussen ook plaats gevonden. Afzonderlijk per faculteit werd een paritaire raad opgericht, die tot wisselende voorstellen kwam inzake vertegenwoordiging, procedures en de bevoegdheden van de verschillende geledingen. Mentaliteitsverschillen en eigen tradities zorgden voor verschillende oplossingen. De analyse van al deze besluitvormingsprocessen verdient zeker nader onderzoek. We houden het hier dan ook maar bij één voorbeeld, dat van de Letteren en Wijsbegeerte. De professoren maakten daar ook de grote meerderheid uit, maar vergaderden samen met verkozen vertegenwoordigers van de drie overige geledingen, studenten incluis. Twee soorten stemmingen werden geïntroduceerd: definitieve en indicatieve. Ieder faculteitslid stemde mee tot op zijn eigen niveau en indicatief voor een hoger niveau. Het betekende bijvoorbeeld dat studenten hun adviserende stem konden laten horen bij de benoeming van assistenten en professoren en volledige zeggenschap hadden bij programmawijzigingen. In de programmacommissies van de vakgroepen waren ze trouwens eveneens paritair aanwezig. Onder invloed van de contestatie kwam er nu meer ruimte voor zelfstandig werk, stages en seminaries. De facultaire voorstellen gingen via de Onderwijsraad naar de Raad en in die adviserende Onderwijsraad met initiatiefrecht zetelden evenveel professoren als studenten. Op vraag van de meest linkse studenten kwam er, niet zonder spanningen, vrij snel een pedagogisch advies: over de werkmethode, de inhoud van de cursussen, de organisatie van het onderwijs en de relatie tot de professoren konden de studenten hun docenten evalueren, een advies dat bij de bevorderingen een rol kon spelen. Op acties tijdens de contestatie tegen te duur verkochte cursussen werd eveneens ingespeeld: er verscheen een aparte dienst voor cursussen aan lage prijzen.

Maar naast het onderwijs waren de studenten heel actief in de sociale sector. Ze streefden uiteindelijk naar rechtstreekse verkiezingen en zelfbeheer, wat ze na een aantal jaren van strijd uiteindelijk zouden bereiken, uiteraard georganiseerd in samenwerking met de administratie. In de beginfase was de sociale commissie dus slechts een adviesorgaan en paritair samengesteld, maar dat neemt niet weg dat de studenten er met succes voor ijverden om de diensten die ze in de ULB hadden gekend, over te nemen. Ook seksuele begeleiding werd aan de VUB door "Leven met twee" gegeven. Vanuit die hoe langer hoe autonomer wordende sociale sector werd er tevens op toegekeken dat studeren aan de VUB ook voor studenten met lage inkomsten doenbaar was. Protesten tegen de verhoging van de inschrijvingsgelden lagen daarvan in het verlengde.

En tot slot: waren er aan de VUB ook innovaties traceerbaar inzake de inhoud van de colleges? Had mei '68 daar ook enige invloed op? Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten alle opleidingen grondig worden onderzocht. We kunnen dus enkel maar een paar indicaties geven. Zo blijkt de programmahervorming in de vakgroep geschiedenis zich toegespitst te hebben op cursussen over actuele politieke problemen. Twee (werk)colleges gingen daar rechtstreeks op in, een andere op kolonisatie en dekolonisatie en nog een andere op de arbeidersbeweging. In de afdeling filosofie gaf Leopold Flam informele cursussen met praktijken in de geest van de counterculture van de sixties. In de faculteit ESP kon Marcel Liebman, afkomstig uit de kringen van La Gauche en die als linkse geëngageerde professor in de vrije vergaderingen bekendheid had verworven, colleges over socialisme en communisme geven. In de afdeling economie was er vraag naar colleges van Ernest Mandel over marxistische economie. Als trotskist had hij ondertussen een internationale reputatie uitgebouwd, wetenschappelijk al veel gepubliceerd maar nog geen doctoraat behaald. In de Raad zorgde deze benoeming voor ophef. Achter de schermen lobbyde zelfs minister Vermeylen voor Mandel, die na het behalen van een doctoraat in Berlijn, verkozen werd en jarenlang een door studenten gewaardeerde cursus zou gaan geven, die in meerdere afdelingen kon worden gevolgd.

Kortom, ook deze voorbeelden - al zijn ze niet uitgewerkt - tonen aan dat de contestatie, en meer bepaald de linkervleugel daarbinnen, aan de VUB heeft doorgewerkt. Verkozen, democratisch beheer, medezeggenschap en inspraak, domineerden aan de jonge VUB. Op dat vlak speelde de universiteit zonder meer een voortrekkersrol. Een aantal praktijken werden later zelfs door andere universiteiten overgenomen. Het progressieve gedachtegoed, waarin de kritische vrijzinnigheid en de verschillende strekkingen binnen links een plaats hadden, waren er verankerd in de structuren en de mentaliteit. Dat de geest van mei '68 en van de nieuwe sociale bewegingen in het algemeen, onder de jonge professoren, docenten en onderzoekers in de ontstaansperiode vrij dominant was, speelde zeker een rol, maar ook de invloed van de ULB: de contestatie was in velerlei opzichten immers een gezamenlijke strijd geweest. Wie zoals ik, in Gent 1969 had meegemaakt, er in de als links bestempelde faculteit Letteren en Wijsbegeerte had gefunctioneerd, viel het bij mijn aanstelling aan de VUB in 1974 hoe dan ook op hoeveel sterker de VUB de sporen van de contestatie in zich droeg. Mei '68 was er geenszins onopgemerkt voorbij gegaan.

Geraadpleegde werken en bronnen

Literatuur

G. Debunne, Rogier Van Geen: een geëngageerd politiek wetenschapsmens, in G. Cornelis e.a. (red.), Roger Van Geen, Een kritisch-optimistische kijk op onderwijs, wetenschap en maatschappij. Brussel, 1997, 263-267.

M. De Metsenaere, e.a. Vijfentwintig jaar VUB-studenten, in E. Witte & J. Tyssens (red.), De tuin van Akademos. Studies naar aanleiding van de 25ste verjaardag van de Vrije Universiteit Brussel. Brussel, 1995, 135-186.

R. De Smet e.a., Van flower power over democratische besluitvorming in de kinderschoenen naar een volwassen Sociale Raad, in E. Witte & J. Tyssens (red.), De tuin van Akademos, 393-424.

S. Govaert, Mai 68 : c'était au temps où Bruxelles contestait. Bruxelles, 1990.

R. Hemmerijckx, In de geest van mei 68. Arbeidersprotest en radicaal militantisme in België, in Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 18, 2007.

M. Magits & Tom Saelmaekers, Vijfentwintig jaar Onderwijs aan de Vrije Universiteit Brussel, in E.Witte & J. Tyssens (red.), De tuin van Akademos, 247-312.

Le mouvement de contestation à l'Université Libre de Buxelles, CH-CRISP,419-420, 1968.

Le problème de l'expansion universitaire en Belgique, I, in CH-CRISP, 266-267, 1964; II, 287, 1965.

H. Righart, De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict. Singel, 1995.

F. Scheelings, Het probleem van de verdubbeling, in A. Despy-Meyer e.a., De Université libre de Bruxelles sluit haar deuren. Brussel, 1992, 225-233.

F. Scheelings, Studentenbeweging. Brussel, in Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, R-Z, Tielt, 1998, 2881-2891.

P. Stouthuysen, Zonder meer en zonder voorwaarden. Het politieke engagement, in G. Cornelis e.a. (red.), Roger Van Geen, 45-68.

J.W. Stutje, Ernest Mandel. Rebel tussen droom en daad. Antwerpen-Gent, 2007, 179-180.

J. Tyssens, Zaaien in de tuin van Akademos. Over het ontstaan van de Vrije Universiteit Brussel op het einde van de jaren zestig, in E. Witte & J. Tyssens (red.) De tuin van Akademos, 23-134.

J. Tyssens, Hoger onderwijs. Brussel, in Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, G-Q,Tielt, 1998, 2268-2279.

G. Verbeylen, Vlamingen verenigen zich op Solbosch. Een studie naar Nederlandstalige verenigingen in de aanloop naar de splitsing van de unitaire universiteit ULB/VUB, 1950-1970, VUB, masterproef, 2017-2018.

M. Verkouter & M. De Metsenaere, Het academisch personeel. Omtrent rekrutering, structuur, samenstelling, promotie en gender, in E. Witte & J. Tyssens (red.), De tuin van Akademos, 187-245.

E. Witte, A. Meynen, D. Luyten, Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden. Antwerpen, 2018.

Archieven

In het archief van de VUB, CAVA, bevinden zich de papieren van studentenverenigingen, waarbij deze van Vrij Onderzoek van belang zijn voor de studie van mei '68 aan de VUB, vooral in de nrs. 279, 280, 299, 634. In nr. 299 bevindt zich een omvangrijke en belangrijke collectie van pamfletten uit de contestatiemaanden. Met dank aan F. Scheelings voor de geboden hulp.

Interviews

De auteur heeft dankbaar gebruik gemaakt van de interviews die werden opgenomen in G. De Vriese & F. Van Laeken, Mei '68. 31 dagen die ons leven veranderden ? Antwerpen-Amsterdam, 2018 : W. Claes, E. Corijn, H. De Croo, Y. Sonck, M. Abramovic.

De auteur kreeg tevens nuttige informatie van A. De Nauw, M. Geivaerts, W. Foulon, S. Keuleers, A. Meynen, J. Rathé, M. Stroobant, A. Swinnen (BRUZZ, mei 2018), A. Vanderspeeten, H. Van Velthoven, M. Weyemberg, waarvoor veel dank.