logo

U bent hier

Meisjes aan de universiteit

Na de aula’s ook de toga’s

Het vorige artikel schetste hoe in de (tweede helft van de) 19de eeuw steeds meer universiteiten wereldwijd meisjes toelaten. De ULB zet in 1880 als eerste in België de deuren open voor vrouwelijke studenten.

De deuren gaan open, de geesten volgen langzaam

Niet iedereen is overtuigd en er wacht de meisjes niet altijd een warm welkom. Het overheersende beeld van de vrouw is immers nog steeds dat van een zwakker en minder intelligent wezen. Zo worden hun capaciteiten in vraag gesteld. Is de cursus anatomie niet te schokkend voor vrouwen? En indien ze niet geschokt zijn, wat zegt dat dan over hun moraal? Zijn ze wel bestand tegen de vermoeidheid en de stress van de examenperiode? Vooral hun motivatie roept vragen op. Wat bezielt deze meisjes om naar de universiteit te gaan? Vinden zij dan geen voldoening in hun vrouwelijke taken?  Als er zo weinig beroepsmogelijkheden zijn voor vrouwen waarom willen ze dan een diploma? Het is voor sommige mannen onvoorstelbaar dat niet alle vrouwen voldoening halen uit hun traditionele rol en andere interesses en ambities kunnen hebben. Voor hen  is er slechts één conclusie mogelijk: de studentes komen naar de universiteit om er een man te zoeken. Niet alleen gaan ze de jongens afleiden van hun intellectuele bezigheden, het impliceert een devaluatie van het universitair onderwijs. Toch zijn er ook studenten, onderzoekers, assistenten en professoren die de intellectuele bijdrage van de studentes waarderen, die hun verdere integratie mee mogelijk maken en hun wetenschappelijke carrière steunen.     

Aan sommige universiteiten, zoals die van Michigan en Parijs is het protest van de mannelijke medestudenten zeer hevig. Wanneer de meisjes de aula binnenkomen worden ze uitgejouwd, bespot en beschimpt. In Parijs neemt het protest zelfs gewelddadige proporties aan en verbranden de studenten een pop die op een studente lijkt. Overal passen de studentes zich aan. Ze komen samen de aula binnen, vaak langs een aparte ingang en niet voor de professor aanwezig is. Zij zitten op de eerste rij. Want geheel volgens de zeden van die tijd, is gemengd onderwijs in zekere zin ongehoord. Maar de aula’s laten geen andere mogelijkheid toe, tenzij privé-les in het bureau van de prof, wat al even ongehoord zou zijn.  .

In Brussel en Luik verloopt de intrede van de studentes veel rustiger. Enkel in Gent moet de universitaire autoriteit tussenkomen om de gemoederen te bedaren. Dat betekent niet dat aan de ULB de komst van de meisjes iedereen onberoerd laat. Dezelfde seksistische meningen en opmerkingen doen er de ronde, maar rector Vanderkindere stelt vast dat alles met het nodige respect verloopt.

Meisjes in de aula's maar nog niet daarbuiten

De meisjes komen dan wel naar de universiteit, het duurt nog lang voor zij deelnemen aan het studentenleven. Hun sociale leven aan de universiteit is voor WOI in het algemeen beperkt. Dat komt door een aantal factoren. De ULB is verspreid over de stad (Stuiversstraat, Leopoldpark en Hallepoort) en de meisjes huren vaak een kamer bij particulieren. De stad intrekken of uitgaan doen meisjes in die tijd niet en meestal hebben ze er ook het geld niet voor.

In 1912 richten twee studentes de Association des Etudiantes op. De leden hebben geen eigen clubhuis en komen bij elkaar in het Maison du Livre. Ze organiseren culturele activiteiten (concerten, lezingen), doen aan liefdadigheidswerk en zetten een studiebeurs op.

Het Interbellum brengt meer gelijkheid en vrijheid met zich mee. Het is dan al lang niet meer vreemd om meisjes in de aula te zien. Zij maken ondertussen ongeveer 20% uit van de studentenbevolking. Jongens en meisjes zitten door en naast elkaar op de banken. Het aantal studenten verdrievoudigt en de ULB wijkt in de tweede helft van de jaren 1920 uit naar de huidige campus aan de Solbosch. Op de campus ‘nieuwe stijl’ komt de Cité Héger (vanaf 1932) met studentenhuizen voor jongens en meisjes, een bibliotheek, vergaderzalen, salons, een restaurant, enz. Na de versoepeling van de zeden in de Gay Twenties brengt de Cité jongens en meisjes letterlijk dichter bij elkaar. Ze gaan vriendschappelijk met mekaar om en de activiteiten zijn steeds vaker gemengd.

Er is nu ook een vaste ontmoetingsplaats voor de studentes en de Association des Etudiantes organiseert heel wat theemomenten  met gebak in het meisjeshuis (Thé des Bleues, Thé de la Saint Verhaegen. Zo’n 50-tal studentes van de verschillende faculteiten komen er bij elkaar bij een kopje thee en gebak. Er worden voorzichtig ‘deftige’ studentenliederen gezongen. Na WOII neemt de Cité een echte vlucht en wordt hét centrum voor het sociale en vrije tijdsleven van de studenten. Vanaf de jaren 1960-70 ontwikkelt de omliggende wijk zich onder impuls van de universiteit. Er komen winkels, boekenwinkels, kapperszaken en cafés.

Folkore: door mannen, voor mannen

Het studentenleven speelt zich, tot aan de bouw van de campus Solbosch en de Cité, af in de cafés in de stad. Door de reputatie van de folkloristen (machogedrag en braspartijen) blijven de studentes weg van de folklore. De universitaire overheid stelt bovendien officieel dat de studentes ‘s ochtends welkom zijn op de ceremonie voor Saint Verhaegen maar raadt hen tot eind jaren 1930 de deelname aan de stoet af. Het studentenleven betekent voor veel jongens uit de bourgeoisie weg uit het nest, weg van de vele regels. Een tijd waarin ze hun gang kunnen gaan vooraleer te trouwen met een ‘deftig’ meisje. De Fédération des Cercles en daarna de Association Générale des Etudiants (°1886) zijn net als de studentenkringen mannenbastions. De folklore wordt georganiseerd door mannen voor mannen. Hun vrouwelijk gezelschap komt uit de lagere klassen, zoals naaisters en verkoopsters. Maar trouwen doen ze toch met meisjes uit de eigen klasse, steeds vaker met medestudentes.  

De nieuwe campus heeft ook invloed op het studentenleven: de facultaire kringen (allemaal aanwezig met uitzondering van de Cercle de Médecine) groeien en worden belangrijker. Hun activiteiten vinden plaats op de campus maar het blijven mannenclubs. Meisjes kunnen zich inschrijven als lid maar in de praktijk gebeurt dit zelden. Geen Taal Geen Vrijheid (voorloper van het BSG) bestaat al sinds 1856 en toch duurt het tot 1928 vooraleer een eerste meisje, Mimi Baekeroodt, wordt aanvaard binnen de kring. Het jaar daarop schopt ze het tot vice-voorzitter. Vanaf dan vinden studentes steeds vaker de weg naar de kring. Maar toch blijft die overwegend mannelijk:  het BSG telt tot op vandaag slechts zes vrouwelijke voorzitters, waarvan de laatste tien jaar geleden.

Na de Gay Twenties volgen de hardere jaren 1930 en door de inflatie en de toegenomen armoede gaat het studentenleven in de stad er op achteruit. Le Ring, een studententijdschrift, vraagt zich vanaf 1929 luidop af: “Que font les étudiantes à l’ULB? Eh oui, que viennent-elles donc faire chez nous? On se le demande avec effroi ». Het seksisme steekt opnieuw de kop op : de meisjes worden afgeschilderd als  ofwel blokbeesten ofwel snobs. De eersten zijn lelijk, zonder charme en onvrouwelijk; de laatsten zijn enkel op zoek naar een man en ‘worden ziek’ net voor de examens. Voorstanders van de gemengde universiteit, zowel mannen als vrouwen, geven de seksisten lik op stuk: een vrouw komt naar de universiteit met hetzelfde doel als een man en er is dus geen reden om haar aanwezigheid ter discussie te stellen.

Schachtinnen moeten hun plaats veroveren in de folklore en dat is een hele evenwichtsoefening: kameraadschappelijk zijn, niet te preuts, genieten van een pintje, plaats nemen op een St V-camion. In 1934, roept de Association Générale des Etudiantes de studentes op om n.a.v. de 100ste verjaardag van de ULB deel te nemen aan de St V – stoet « pour montrer à la foule que les etudiantes se solidarisent avec leurs camarades pour la propagation du libre examen et qu’elles savent s’amuser franchement, sans y perdre leur dignité ».

Op 20 november 1937 organiseren enkele studentes de eerste doop voor meisjes (in café La Diligence in het centrum). Zij willen in de eerste plaats dat het een plezante gebeurtenis is waar de schachtinnen zich amuseren. Er kan wel worden gedronken maar het mag nooit grof of vies worden. Maar ook op dit vlak groeien de studenten naar elkaar toe en er wordt samen gelachen, gedronken en gefeest. Niet in het minst door de inspanningen van de Association Générale dat vanaf de tweede helft van de jaren 1930 – tegen de zin van sommigen – werk maakt van de integratie van de studentes. 

Er is echter geen weg terug: met de komst van de Cité nemen de meisjes steeds vaker deel aan de culturele, sportieve en politieke activiteiten en stilaan vinden ze de weg naar de studentenkringen. Een aantal onder hen wordt ondervoorzitter. Het bestuur van de Etudiants socialistes unifiés (ESU) is zelfs paritair. Maar op één uitzondering na (Cercle de pédagogie) wordt geen enkele studente voorzitster van een kring. Zelfs niet in de faculteiten met een overwegend vrouwelijk publiek.

Lees verder onder de afbeelding

Voetbalmatch tussen de jongens en meisjes van WK: de meisjesploeg

Vóór de jaren 1980 is er weinig cijfermateriaal over de kringen op de VUB. Na de verhuis naar de Pleinlaan vallen de studenten in kleine groepjes uit elkaar en van 1979 tot 1986 engageren de studenten zich massaal tegen de verhoging van het inschrijvingsgeld, de hervorming van de beurzen en de hervormingen van minister Coens. Vooral de politieke kringen kennen een groot succes in die periode. De kleinere facultaire en regionale kringen hebben bovendien een slechte reputatie: te hard en te grof. In 1983 wordt de Folklore Academie opgericht om de studentenfolklore te reglementeren en te stimuleren. Het BSG neemt opnieuw de touwtjes in handen als controleorgaan.

De periode 1984-1999 is een keerpunt in de geschiedenis van de universiteit. Het aantal meisjesstudenten stijgt van 35% naar bijna 50% en nog eens tien jaar later is de grens van de 50% overschreden. De vertegenwoordiging van de studentes in de kringen volgt echter hetzelfde ritme niet. De activiteiten zijn oorspronkelijk gericht op een mannelijk publiek en vooral de regionale kringen blijven lang weigerachtig tegenover vrouwelijke (bestuurs)leden. De facultaire noch de regionale kringen profiteren daardoor aanvankelijk van de groei van de universiteit.  Kringen met een zachter imago, die meer culturele activiteiten aanbieden, kennen meer succes. De meisjes vinden gemakkelijk de weg naar die kringen en bekleden daar in toenemende mate bestuursfuncties. Voor een aantal studentes mag het best wat meer zijn en als antwoord op het folkloristische mannenbastion richten zij in 1988 de Zatte Wijven Kring op, een studentenkring door en voor meisjes. Op het einde van deze periode heeft de opvallendste verandering zich uiteindelijk voorgedaan bij de regionale kringen: als gezelligheidskringen hebben juist zij meer vrouwelijke bestuursleden aangetrokken.

Lees verder onder de afbeelding

Portret van Sabine Delmotte, praeses van LWK in 1997/98

Wanneer meisjes in het bestuur van een studentenkring stappen oefenen ze er vooral (1/3de tot 50%) functies uit als secretaris, penningmeester, communicatie- en cultuurmedewerker en de organisatie van de cursusdienst en het galabal. En hoewel in de periode 1985-1999 het aantal vrouwelijke praesessen meer dan verdubbelt vormen zij nog steeds een minderheid.  Hypothetisch kan men aannemen dat de trend de afgelopen twintig jaar verder ging:  dat de studentes zich aanpassen aan de zeden en gewoonten van de studentenfolklore en dat  de kringen hun werking aan de nieuwe verhoudingen aanpassen. Een nieuw onderzoek naar de aanwezigheid van de studentes in de kringen tijdens de afgelopen twintig jaar is noodzakelijk om te zien of deze hypothese ook klopt. 

Literatuur

Gravier S., Les femmes et l’ULB, in Bulletin du cercle du libre-examen, Brussel, nr. 61, 30 november 2018, pp. 5-14.

Gubin E., Piette V. (red.) Emma, Louise et Marie. L’Université de Bruxelles et l’émancipation des femmes (1830-2000), GIEF – Service des Archives, Brussel, ULB, 2004, 327 p.

Largueze B. Eros et Thanatos au pays de la bleusaille ou l’mabivalence d’un rituel, in Femmes de culture & de pouvoir. Liber Amicorum Andrée Despy-Meyer, Brussel, ULB, 2000, pp. 351-361.

Scheelings F. Les étudiantes dans les cercles estudiantins de la VUB, in Femmes de culture & de pouvoir. Liber Amicorum Andrée Despy-Meyer, Brussel, ULB, 2000, pp. 337-350.

Sirjacobs I. Des étudiantes dans la ville, in Femmes de culture & de pouvoir. Liber Amicorum Andrée Despy-Meyer, Brussel, ULB, 2000, pp. 317-335.

 

Een ingekorte versie van dit artikel verscheen eerder in BAM, jg. 8, nr. 4.