logo

U bent hier

VUB-studie wijst uit dat ook leerlingen secundair onderwijs discriminatie ondervinden

Een niet-westerse klinkende naam hebben kan hinderlijk zijn bij het zoeken naar een job

Onderzoek in het kader van een masterthesis aan de VUB heeft uitgewezen dat leerlingen uit het secundair onderwijs met een niet-westerse klinkende naam 4,28 keer meer kans hebben om géén job te vinden bij de overheid, in de privésector, bij een organisatie of een particulier dan leerlingen met een westers klinkende naam. Het betreft een onderzoek in het kader van de YOUCA Action Day, waarbij leerlingen uit het secundair onderwijs één dag gaan werken en met hun loon jongerenprojecten wereldwijd steunen. Verder blijken ook andere factoren doorslaggevend in het vinden van een job, zoals de motivatie, het zelfvertrouwen, het sociaal netwerk, de sociaaleconomische status en de studierichting van de leerling. Voor haar onderzoek onder leiding van professor Free De Backer gebruikte Céline Martens een dataset van 14.636 cases, cijfermateriaal bijeengebracht door YOUCA.

Alle leerlingen zaten op het ogenblik van het onderzoek in het vierde tot laatste jaar van het secundair onderwijs. Martens reduceerde de beschikbare gegevens tot een representatieve groep van 1.536 cases, waarvan 302 een niet-westerse naam hadden. Tegelijk bevroeg ze ook leerkrachten die aan de YOUCA Action Day deelnamen, op zoek naar andere mogelijke oorzaken van het niet vinden van een werkplek en hoe die leerkrachten hun leerlingen voorbereiden en begeleiden.

Naar analogie met de in de literatuur beschreven discriminatie in het reguliere arbeidscircuit bleek ook bij leerlingen uit de secundaire school sprake van discriminatie.

"Deels ligt dat zeker aan de klank van hun naam", weet Martens. "In totaal kon ik negentien factoren uit mijn onderzoek halen, die een invloed kunnen hebben op het al dan niet vinden van een job. Naast de motivatie van leerlingen speelt het sociale netwerk van de leerlingen een bepalende rol. Volgens eerder onderzoek hebben personen met een migratieachtergrond minder vaak toegang tot waardevolle bronnen en informatie over jobs in hun sociaal netwerk en hebben ze minder personen in hun netwerk die de macht hebben om jobs aan te bieden. Leerlingen met een groot en arbeidsactief netwerk vinden volgens de leerkrachten sneller en makkelijker een job dan leerlingen met een klein of arbeidspassief netwerk. Ook het hebben van een studentenjob of een stageplek kan helpen bij het vinden van een job, net als de aanwezigheid van zelfstandigen in het netwerk van de leerling. Dat zijn niet toevallig bijna allemaal factoren die harder spelen bij leerlingen met een migratieachtergrond, leerlingen uit een kansarm milieu en leerlingen in BSO-richtingen."

In haar aanbevelingen stelt Martens dat YOUCA verder moet blijven inzetten op het sensibiliseren van werkgevers en het ontwikkelen van een meldpunt voor discriminatie, wat intussen ook gebeurd is. Verder geeft ze aan dat ook overheden en organisaties best aandacht blijven hebben voor de problematiek.

"Omdat hier nog steeds veel onwetendheid over is en er weinig onderzoek is naar gevoerd, is het belangrijk om te zorgen voor meer kennis en begrip aan de hand van informatie, ondersteuning en vorming", vindt Martens. "Zowel de overheid als middenveldorganisaties dienen verregaande inspanningen te leveren om stappen te zetten in het terugdringen van ongelijkheid en discriminatie."