logo

U bent hier

Water bepaalt gezondheid

VUB-onderzoek toont aan dat waterrijke omgeving risico op ziektes als malaria of luchtwegeninfecties verhoogde

Voor haar doctoraat aan de Vrije Universiteit Brussel en de University of Sheffield onderzocht Marit Van Cant middeleeuwse tot vroegmoderne skeletpopulaties uit de archeologische sites van Deinze, Moorsel, Oosterweel, Slijpe, Vichte en Zottegem. Hieruit blijkt dat de sociale status niet altijd van doorslaggevend belang was voor een betere gezondheid.

Dr. Van Cant: “Het onderzoek toont aan dat onafhankelijk van stedelijke of landelijke context, sociale afkomst, leeftijd of geslacht, omgevingsfactoren cruciaal waren, vooral dan het effect van water.”

 

Algemeen

De ziektepatronen in de zes plaatsen wijzen erop dat de natuurlijke habitat van de bewoners een cruciale rol speelde bij de ontwikkeling van ziektes. De plaatsen met de meeste geregistreerde infectieziekten, Deinze, Slijpe en Vichte, zijn ook die plaatsen met vervuild water, in een moerasrijke omgeving of met een hoge blootstelling aan overstromingen. Van Cant kon hierbij geen significante verschillen in het voorkomen van infectieziekten tussen mannen en vrouwen vaststellen, hetgeen aantoont dat beide geslachten in gelijke mate werden getroffen door de gevolgen van het wonen in de nabijheid van water.

Aan de kust: Malaria

Marit Van Cant trof bij de skeletten uit  het kustdorp Slijpe, zowel bij kinderen als volwassenen, een hoge aanwezigheid van cribra orbitalia aan. Cribra orbitalia wordt gekenmerkt door porositeit of gaatjes in de oogkassen. Deze aandoening wordt geassocieerd met ijzertekort en bloedarmoede, wat aan malaria gelinkt kan worden. Populaties in het binnenland hadden deze aandoening niet of slechts minimaal.

Van Cant: “Malaria is gerelateerd aan brak water en kwam dan ook voornamelijk voor in kustgebieden en een moerasrijke omgeving. Malaria was in onze contreien een veelvoorkomende ziekte, vooral tussen 1500 en 1750, maar vermoedelijk dus ook al tussen 1200-1500, de tijdsperiode van de kustbewoners uit Slijpe. “

Zo ook in Oosterweel. Historische bronnen wijzen op malaria of polderkoorts in de omgeving, maar bij deze inwoners van hogere sociale status kon Van Cant evenwel geen cribra orbitalia vaststellen. De volwassenen hadden wel een mildere vorm van glazuurhypoplasie op hun gebit wat wijst op ondervoeding of blootstelling aan ziekte tijdens de kindertijd.

Van Cant: “Hier kan de rijkere afkomst wél van belang zijn geweest. Mogelijk werden de kinderen uit de hogere klasse van Oosterweel dus wel getroffen door ziektes, maar overleefden zij dankzij hun gegoede afkomst.”

Aan de rivier: Tuberculose

De meeste ademhalingsaandoeningen en aanwijzingen voor tuberculose kon Van Cant vaststellen in Deinze. Een hogere gevoeligheid voor het ontwikkelen van longziekten en tuberculose komt vaker voor in de stad dan op het platteland en wordt vaak toegeschreven aan slechte sanitaire voorzieningen en overbevolking. In de kleine stedelijke context van Deinze zijn de pulmonaire aandoeningen gelinkt aan de ambachtelijke en industriële activiteiten van de stad. De textielnijverheid aldaar zorgde voor tal van ongezonde situaties: lederbewerking, het verven van stoffen in slecht geventileerde ruimtes, het roten van vlas, wat sterfte veroorzaakte bij vee en vissen in een vervuilde Leie, die de stad doorkruist. Bij de inwoners uit Deinze werd ook een hoge frequentie van glazuurhypoplasievastgesteld.

Ook bij de skeletpopulatie van Vichte werden er sporen teruggevonden van aandoeningen aan de luchtwegen en oorinfecties. In Vichte, waar in de negentiende eeuw tyfus en cholera uitbraken, waren de sanitaire omstandigheden in het dorp slecht. De nabijgelegen Vichtebeek of Kasselrijbeek werd gebruikt als aandrijfkracht voor de plaatselijke molen, en werd een open riool in het landschap waardoor de vervuiling van dit water als extreem hoog werd genoteerd.

In het binnenland:  Minder infecties, meer gewrichtsaandoeningen 

In het landelijke Moorsel lag de sterfteleeftijd gemiddeld hoger dan bij de andere case studies. Er werd ook geen glazuurhypoplasie aan de tanden vastgesteld, of aanwijzingen naar infecties of andere specifieke aandoeningen. Van Cant: “Dit suggereert dat er geen langdurige ondervoeding of infecties tijdens de kindertijd aanwezig waren.”

Van Cant kon in de landelijke gebieden wel de gevolgen van hard labeur vaststellen, typisch voor de landbouwnijverheid. Van Cant: “Bij jongere vrouwen komt slijtage aan het heupgewricht vaker voor, wat op tewerkstelling op heel jonge leeftijd wijst. Voor Zottegemzien we gelijkaardige data met de andere rurale dorpen waarbij vooral gewrichtsaandoeningen in de schouder en bovenarm vaak voorkwam bij zowel mannen als vrouwen in de jongere leeftijdsgroepen.”

Het onderzoek

De skeletpopulaties uit de zes bovengenoemde archeologische sites bevatten tussen de 50 en 100 skeletten per collectie. Deze skeletten werden reeds opgegraven en zijn bewaard in verschillende depots, verspreid over Vlaanderen. Wat betreft de tijdsindeling gaat het om skeletten uit het laatmiddeleeuwse dorp Slijpe en kleinstedelijke Deinze, de vroegmoderne dorpen Moorsel, Oosterweel en Zottegem en het negentiende-eeuwse dorp Vichte.

De collecties bestaan met uitzondering van het polderdorp Oosterweel uit mensen die voornamelijk werkzaam waren in de landbouw en textielnijverheid, en die nog werden opgegraven uit kerkhoven rondom de kerk. De skeletten uit Oosterweel zijn als enige in de kerk opgegraven, wat betekent dat dit voornamelijk mensen betreft uit de hogere klasse en priesters.

De skeletten werden  macroscopisch onderzocht op demografische factoren zoals sterfteleeftijd, lichaamslengte en geslacht en op chronische ziektes en traumata die men kan observeren op het menselijk bot.

Van Cant: “Moderne onderzoekstechnieken zoals de toepassing van chemische analyses op botmateriaal,  via stabiele isotopen en ancient DNA, maken het vandaag mogelijk om de genetische oorsprong en evoluties van ziektes te onderzoeken evenals dieetreconstructies, en die ook te gaan koppelen aan sociaal-economische klasseverschillen.”

Het onderzoek van Van Cant is een gezamenlijk doctoraat van de VUB-onderzoeksgroep HARP en University of Sheffield. Van Cant werkte hiervoor, afhankelijk van de opgravingslocatie, samen met Vlaamse provinciale erfgoedcentra en archeologische bureaus zoals SOLVA uit Erembodegem en PEC Ename. Tijdens haar postdoctoraat via een BAEF (Belgian American Educational Foundation) beurs aan Stanford University en in samenwerking met het Center for Bioarchaeological Research aan Arizona State University heeft zij verdere aDNA-analyses uitgevoerd op een subsample (Deinze) van de skelettengroep.