Filosoof Karin Verelst (VUB) staat in deze bijdrage stil bij de de achterliggende wetenschappelijke context van de  theorieĆ«n over ras, intelligentie en erfelijkheid, die sinds de aanstelling van de Nathan Cofnas aan de UGent opnieuw in de aandacht staan.

Lees het volledige opiniestuk in Knack

De aanstelling van ā€œrassenrealistā€ Nathan Cofnas als postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent veroorzaakte vorig academiejaar een mediastorm, die uitgroeide uit tot een orkaan toen bleek dat diezelfde Cofnas achter de mediacampagne tegen de jonge zwarte Cambridgeprofessor Jason Arday zat. Mijn bedoeling in dit stuk is niet een standpunt te formuleren over de Arday-controverse of het al dan niet terecht zijn van het optreden van de de UGent tegen Cofnas. Wat ik zal doen is meer licht werpen op de achterliggende intellectuele en wetenschappelijke context van deze controverse.

Mijn vraag is: kan hier sprake kan zijn van een legitiem wetenschappelijk debat, of niet? Er is vandaag een groep academici, waartoe ook Cofnas behoort, die claimen dat het wetenschappelijk bewijsbaar is dat er ā€œrassenā€ bestaan die intelligenter zijn dan andere, en dat dit verschil erfelijk bepaald is. Rector De Sutter noemde de onenigheid over die stelling eerder "een meningsverschil tussen wetenschappers" waarbij de academische vrijheid moet worden gerespecteerd. De Vakgroep Wijsbegeerte van de UGent was het daar radicaal mee oneens en voerde twee argumenten aan: reputatieschade en pseudowetenschap. Over dit aspect is tot nu toe bijzonder weinig geschreven, terwijl het overduidelijk van belang is. Deze bijdrage focust daarom op de wetenschappelijke kant van die rassentheorie.
 

Er bestaan geen 'mensenrassen'

Het uitgangspunt is al problematisch: wie een bruine huid of amandelvormige ogen heeft, behoort daarom nog niet tot een ā€œrasā€. Een ras is geen biologische soort. De langdurige, sterke geografische afscheiding (door poolgebieden, oceanen, hooggebergte) die nodig is om stabiele subgroepen binnen een soort te doen ontstaan, heeft bij de mens nooit gewerkt: al sinds het vroegste Stenen Tijdperk trokken mensen de planeet rond en kruisten overal met elkaar. We dragen zelf nog flinke stukken Neanderthalgenoom met ons mee. Er is geen solide biologische grondslag om over menselijke rassen te spreken; het Human Genome Project bevestigde dat de genetische variatie binnen een menselijke populatie groter is dan die tussen menselijke populaties. Indelingen op basis van bepaalde ā€œracialeā€ kenmerken zijn recent en cultureel-maatschappelijk geconstrueerd, bijvoorbeeld via verboden op ā€œinterracialeā€ huwelijken. Nog maar drieduizend jaar geleden hadden de meeste Europeanen een donkere huid. Ook fysiologische verschillen die ogenschijnlijk ā€œraciaalā€ van aard zijn – bepaalde medische aandoeningen bijvoorbeeld – hebben doorgaans een sociaal-culturele oorzaak, al worden ze commercieel snel als raciaal geframed.

Belangrijk is ook te begrijpen wat genetische markers (voor bv ziekten) betekenen, en waarom ze niet zomaar bruikbaar zijn in de discussie over "ras". We kunnen het genoom van mensen in kaart brengen en verschillen tussen individuen aanwijzen, maar vaak weten we niet wĆ”t die genetische verschillen veroorzaken. Wat we van een organisme zien is niet het genotype maar het fenotype: de expressie, het resultaat van een complexe wisselwerking tussen genetische aanleg en omgeving. Om toch verbanden te vinden gebruikt men genoombrede associatieanalyse, waarbij kleine genetische verschillen over grote populaties statistisch worden onderzocht op correlatie met een eigenschap of ziekte; uit fenotypische kenmerken leidt men dan een genetische oorzaak af — een omstreden inferentie, zeker in het geval van complexe genetische phenomenen die niet op ƩƩn of enkele genetische factoren kunnen worden teruggevoerd. Carney toonde in 2016 aan hoe zwak het empirische bewijs voor zulke besluiten vaak is, en historisch gegroeide biases in bijvoorbeeld populatiekeuze leiden tot foute en soms gevaarlijke conclusies.

Intelligentie en ras

Het IQ werd begin twintigste eeuw in Frankrijk en de VS ontwikkeld als pedagogisch instrument voor kinderen met leerachterstand. Al tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het toegepast om volwassenen te selecteren voor militaire taken, en zo ontstond een schijnbaar neutrale wetenschappelijke basis voor een intelligentiehiĆ«rarchie binnen de menselijke soort. De claim luidde dat niet alleen individuen, maar ook bevolkingsgroepen een meetbaar, erfelijk bepaald niveau van algemene intelligentie – de ā€œg-factorā€ – zouden hebben.

Na de nazi-verschrikkingen raakten zulke hiĆ«rarchieĆ«n gediscrediteerd, maar verdwenen niet. Na de genetische revolutie van de jaren zestig werd het idee nieuw leven ingeblazen: intelligentieverschillen zouden vooral genetisch, niet omgevingsbepaald zijn. Daarin lag voor sommigen de politiek aantrekkelijke conclusie dat gelijke kansen weinig zouden uithalen. Tweelingstudies worden hiervoor aangehaald, maar die zijn zelf verre van onomstreden.

Intelligentie en erfelijkheid: een stap te ver

Dat er een lichamelijke basis is voor intelligentie zal niemand ontkennen. Maar van daar naar theorieĆ«n over erfelijke, laat staan raciaal bepaalde intelligentie, is een veel te grote stap. Om van wetenschap te kunnen spreken, moet aan een paar elementaire methodologische voorwaarden voldaan zijn, en dat is hier niet het geval. Ten eerste bestaat er geen algemeen aanvaarde operationele definitie van intelligentie als universeel biologisch construct. IQ-tests meten iets bruikbaars binnen een bepaalde context, maar hun relatie met intelligentie als zodanig blijft onduidelijk, want statistische correlatie is geen causale verklaring.

Ten tweede is de biologische grondslag van intelligentieverschillen onbekend: de genetische polymorfismen die aan doorsnee intelligentieverschillen ten grondslag liggen, blijven in grote mate ongrijpbaar. Verder dan correlaties met hersenmassa en neuronendichtheid komen we niet, en een gedachte is geen neuron.

Ten derde zijn IQ-tests diepgaand gekleurd door hun westerse, schoolse en talige ontstaanscontext, wat ze fundamenteel cultuurgebonden maakt.

Ontnuchterend is het Flynn-effect: het gemiddelde IQ van de westerse bevolking steeg in de twintigste eeuw met tientallen punten. Waren blanke Amerikanen in 1930 daarom minder intelligent dan zwarte Amerikanen vandaag? Betere scholing, gezondheid en voeding zijn de voor de hand liggende verklaring. Bovendien daalt het gemiddelde IQ in westerse landen recent weer, wat elke evolutionaire verklaring ongeloofwaardig maakt. De veelgeciteerde IQ-kloof tussen zwarte en blanke Amerikanen krimpt of groeit bovendien naargelang het onderzoek, en is juist wat de betrouwbaarheid ervan problematisch maakt.

Academische vrijheid, geen vrijbrief

De relevante vraag is dus niet of de raciale intelligentietheorie ā€œjuistā€ is, dat is gezien alle methodologische onzekerheden een zinledige vraag. Relevanter is de vraag wie en waarom met een theorie op de proppen komt die stelt IQ-metingen, statistiek en genetica het bestaan van hiĆ«rarchieĆ«n tussen mensenrassen zouden kunnen ā€œbewijzenā€, vooral na de bijzonder slechte ervaringen die we historisch gezien met dat soort denken hebben. De vraag stelt zich des te meer omdat er gecoƶrdineerde pogingen lijken te bestaan om met dit soort ideeĆ«n voet aan de grond te krijgen aan Europese universiteiten.

Nu ben ik een groot voorstander van academische vrijheid, verregaand zelfs. Onderzoekers moeten ongemakkelijke vragen kunnen stellen en conclusies kunnen trekken die botsen met de gangbare consensus, ook over gevoelige thema’s. Een wetenschappelijke consensus is immers geen absolute waarheid. Hij is in de eerste plaats uitdrukking van een intellectuele status quo, een sociologisch gegeven dus, en moet bijgevolg in vraag gesteld kunnen worden.

Ik ben evenmin blind voor het belang van vrije meningsuiting in een democratie: iedereen moet ongemakkelijke, zelfs kwetsende standpunten kunnen verdedigen. Maar academische vrijheid is niet hetzelfde als vrije meningsuiting, ook al overlappen beide. Vrije meningsuiting beschermt het recht om een mening te verkondigen; academische vrijheid beschermt de institutionele ruimte om vrij onderzoek te voeren volgens de regels van de kunst, met het gezag en de middelen van een universiteit erachter. Die twee vallen hier niet samen. Cofnas mag zijn standpunten overal verdedigen als burger, als opiniemaker, op sociale media: dat is vrije meningsuiting, en die verdient bescherming. Maar zodra hij zich op zijn universitaire aanstelling beroept om aan diezelfde standpunten wetenschappelijk gezag te ontlenen, gaat het niet meer over meningsuiting, maar over de vraag of zijn werk aan de methodologische minimumvoorwaarden van wetenschap voldoet. En dat is, zoals hierboven beschreven, niet het geval. Het gaat hier dus om een politiek debat over de vraag welke ideeĆ«n aanspraak kunnen maken op het wetenschappelijke label en daaraan gezag kunnen verlenen, en over wie daarvan de vruchten plukt. Het feit dat Cofnas zich op dit moment op zijn wetenschappelijke authoriteit kan beroepen om de wetenschappelijke integriteit van andere academici onderuit te halen, komt daarmee in een heel ander licht te staan.

Besluit: we moeten ons zorgen maken

Wetenschap is mensenwerk. Een wetenschappelijke consensus is in de eerste plaats een sociologisch, geen wetenschappelijk verschijnsel. Dat maakt die niet waardeloos, maar wel nooit ā€œwaardevrijā€. Zoals de wetenschapssociologie van Bruno Latour laat zien, komen wetenschappelijke feiten tot stand via collectieve, sociale processen (netwerken van laboratoria, tijdschriften, financiering en instituties) en niet als pure, geĆÆsoleerde ontdekkingen. Netwerken, machtsrelaties en tijdsgebonden ideologieĆ«n spelen altijd een rol. Vandaar dat critisch toezien op methodologische ernst en ethische verantwoordelijkheid belangrijk blijft. De geschiedenis leert ons waartoe schijnbaar neutrale theorieĆ«n over raciale intelligentie hebben geleid. Niets sluit uit dat het opnieuw gebeurt. Het verzet hiertegen, ook in wetenschappelijke kring, is dus zeer verdedigbaar en begrijpelijk.