Filip Van Droogenbroeck en Bram Spruyt verwonderen zich erover dat veel essentiële dingen in het onderwijs gewoon niet bijgehouden worden. Hoeveel les kinderen krijgen, bijvoorbeeld.

Lees hier het volledige opiniestuk

Vorige week begon het nieuwe schooljaar. Morgen worden de nieuwe Pisa-resultaten bekendgemaakt. Schooljaar 2026-2027 kent daarmee een vliegende start. Het aandeel Vlaamse toppresteerders voor wiskunde is de voorbije twintig jaar sterk gedaald. In 2003 behoorde nog ongeveer een derde van de vijftienjarigen tot de hoogste Pisa-niveaus. In 2022 was dat nog 15 procent.

Dat is zorgwekkend. Wat ons opvalt, is hoe vreemd het debat erover gevoerd wordt. Cruciale elementen worden buiten beschouwing gelaten. Dat begint bij de vaststelling dat de daling van de wiskundeprestaties geen exclusief Vlaams fenomeen is. Ook in de meeste andere Europese onderwijssystemen gingen de prestaties (sterk) achteruit. Dat is geen excuus, maar het toont wel dat de verklaring nooit een exclusief Vlaamse aangelegenheid kan zijn.

Dus waarom gaan Vlaanderen en die andere landen achteruit? Daar heeft Pisa geen antwoord op. Het signaleert veranderingen, maar in geen enkel Oeso-rapport staat een sluitende causale verklaring voor een daling over twintig jaar. Uit opeenvolgende momentopnames valt immers moeilijk af te leiden welke veranderingen daadwerkelijk die achteruitgang hebben veroorzaakt. Een beetje zoals Romeinse keizers vroeger een duim omhoog of omlaag toonden, zonder ooit enige duiding te geven.

Dat leidt steevast tot Pisa-paniek en waarschuwingen voor de teloorgang van ons onderwijs. Experts worden opgetrommeld en binnen enkele dagen ligt een hele reeks verklaringen op tafel. In Vlaanderen horen we steevast over pretpedagogie, een zesjescultuur, een te lage lat, te weinig kennisoverdracht of toenemende sociale verschillen. Je zou denken dat dat allemaal ruim onderzocht wordt, maar dat valt tegen.

Sommige onderliggende mechanismen zijn zonder twijfel plausibel. We weten dat een goede instructie, hoge verwachtingen en een ordelijk klasklimaat belangrijk zijn voor het leren. Ook weten we dat sociaal-economische ongelijkheid de opdracht van scholen en leraren complexer maakt door grotere verschillen in voorkennis en beschikbare hulpbronnen.

Knelpuntvak

Daarmee is nog niet aangetoond dat bijvoorbeeld een toename van een dalende “lat” de Vlaamse Pisa-daling heeft veroorzaakt. Daarvoor zouden we eerst moeten aantonen dat zulke praktijken daadwerkelijk systematisch zijn veranderd over de tijd heen en vervolgens dat precies die veranderingen samenhangen met de achteruitgang. Behalve via anekdotes is dat nooit gebeurd. Twintig jaar Pisa-paniek is ook twintig jaar van gefaald onderwijsonderzoek.

Tegen die achtergrond is het opvallend dat één mogelijke verklaring veel minder prominent aan bod komt, en dat is het lerarentekort. Nochtans is dat allerminst een recent probleem. Al in de eerste Vlaamse Talis-meting van 2008 gaf ongeveer een derde van de leraren les in een school waar de directeur aangaf dat een gebrek aan gekwalificeerde leraren het onderwijs belemmerde. Ook de Vlaamse arbeidsmarktrapporten signaleren al rond de eeuwwisseling tekorten. Wiskunde springt daarbij bijzonder in het oog. Het stond onder andere in 2002, 2005 en 2007 telkens expliciet als knelpuntvak vermeld. In het Soho-wiskunderapport van 2010 werd de situatie voor wiskunde op de klasvloer zelfs “schrijnend” genoemd, en een Vlaams Stem-rapport stelde in 2015 dat het tekort aan wiskundeleraren toen al meer dan twintig jaar chronisch aansleepte.

Het is merkwaardig dat een voor de hand liggend probleem dat vrijwel de hele periode van de Pisa-daling aanwezig was en dat schoolleiders zelf als een belangrijke belemmering voor kwaliteitsvol onderwijs ervaren, in de zoektocht naar verklaringen vaak een bijrol krijgt. Hoe kan het eigenlijk dat in een antwoord op een parlementaire vraag de minister moest toegeven dat het aantal uren dat leerlingen geen les kregen bij gebrek aan leraren, simpelweg niet wordt geregistreerd. We zijn in Vlaanderen stilaan kampioen in het ontwerpen van testjes, maar de meest elementaire zaak van onderwijs 'had de leerling les?' houden we niet bij.

Onverwacht?

Dat is des te merkwaardiger omdat het lerarentekort moeilijk als een onverwachte crisis kan worden voorgesteld. Al rond de eeuwwisseling waarschuwden Vlaamse arbeidsmarktrapporten voor tekorten en de pensionering van de babyboomgeneratie wisten we al veel langer. Ook stijgende leerlingenaantallen de afgelopen twintig jaar waren perfect voorspelbaar. Als je op iets beleid kunt voeren, dan zijn het wel demografische veranderingen op de lange termijn. We zagen het probleem dus letterlijk decennialang aankomen.

Als er na twintig jaar nog altijd iets tot een Pisa-schok zou moeten leiden, dan is het misschien niet dat onze leerlingen minder goed scoren, maar dat we een lerarentekort dat al even lang wordt aangekondigd nog steeds niet onder controle hebben én niet eens de moeite doen om de effecten ervan te onderzoeken. Leerlingen, leraars en directie verdienen beter.