De mentale gezondheidszorg in Europa staat onder grote druk. Terwijl wachttijden oplopen, zoeken steeds meer jongeren hun toevlucht tot digitale hulpmiddelen en AI-chatbots. Maar biedt technologie wel een veilige oplossing? Met de publicatie van een nieuw pamflet binnen het internationale netwerk WeDoMind luiden experts de noodklok: er is niet alleen meer geld nodig, de zorg moet ook fundamenteel anders georganiseerd worden. Een gesprek met VUB-onderzoekers prof. Imke Baetens en prof. Martijn Van Heel over de missie van WeDoMind, de valkuilen van commerciële AI en de noodzaak van Europese data-harmonisatie.
Welke veranderingen wil WeDoMind precies teweegbrengen op het gebied van mentale gezondheidszorg, en wat moet daarvoor op Europees niveau gebeuren?
Imke Baetens: “Met de publicatie van het pamflet doen we een dringende oproep aan het Europese en nationale beleid. De boodschap is helder: we moeten de mentale gezondheidszorg niet alleen méér middelen geven, maar het systeem ook fundamenteel anders organiseren. Momenteel is onze zorgstructuur voornamelijk reactief ingericht. We grijpen pas in wanneer er sprake is van een acute crisis of zware psychische problematiek, maar dan is het vaak al erg laat en zijn de zorgtrajecten lang en kostbaar.
Die focus moet radicaal verschuiven. We moeten evolueren naar een systeem dat gericht is op preventie, vroegtijdige signalering en het snel bieden van passende, laagdrempelige ondersteuning. WeDoMind verschuift die grens door te fungeren als een internationaal netwerk dat wetenschappelijke kennis omzet in schaalbare, concrete oplossingen. We formuleren heldere aanbevelingen voor Europese en nationale beleidsmakers om deze omslag in de praktijk mogelijk te maken.”
Waarom is een schaalbaar, internationaal netwerk zoals WeDoMind daarvoor noodzakelijk?
Imke Baetens: “Omdat mentale gezondheidsproblemen niet stoppen bij de landsgrenzen, terwijl het beleid en de zorgstructuren nog steeds heel lokaal en versnipperd zijn georganiseerd. Als we de zorg echt holistischer en gepersonaliseerd willen maken, moeten we af van het louter medische model waarin enkel de individuele patiënt in de behandelkamer centraal staat.
Een preventieve aanpak werkt alleen als je de hele omgeving van een individu betrekt: van ouders en leerkrachten tot huisartsen en sociale werkers. Zij vormen de eerste lijn van signalering. Als we hen uitrusten met de juiste vaardigheden en kennis, kunnen we lichte psychische klachten opvangen voordat ze escaleren tot zware stoornissen.”
Martijn Van Heel: “Precies. Het versterken van die menselijke factor en de sociale omgeving is de kern van de zaak. Door de omgeving te versterken, bouwen we een vangnet dat sneller én effectiever werkt dan de traditionele zorgstelsels momenteel kunnen bieden.”
“Chatbots gaan de gebruiker snel bevestigen in diens primaire gedachtegang”
Martijn Van Heel
In de zoektocht naar snelle en laagdrempelige ondersteuning grijpen steeds meer jongeren en volwassenen naar AI-chatbots. Kan technologie die vroegtijdige ondersteuning bieden?
Martijn Van Heel: “We moeten eerlijk zijn over waarom mensen naar AI grijpen: de drempel naar de reguliere hulpverlening is hoog en de wachtlijsten zijn lang. Een chatbot op je smartphone is dag en nacht direct beschikbaar. Toch schuilen er enorm grote gevaren in. Platformaanbieders doen wel moeite om hun systemen veiliger te maken met zogenaamde guardrails, maar het is onmogelijk om een generiek AI-model honderd procent waterdicht te krijgen.
We moeten jongeren heel duidelijk informeren: het lijkt wel alsof er iemand aan de andere kant zit die je begrijpt en aanvoelt, maar dat is een digitale illusie. Een chatbot kan in het beste geval een beperkt klankbord zijn, maar de menselijke factor mag nooit worden vervangen.”
Imke Baetens: “Het fundamentele probleem zit in het algoritme. Chatbots zijn ontworpen om de gebruiker een prettige ervaring te bieden en neigen er daardoor sterk naar om de gebruiker te bevestigen in diens primaire gedachtegang. Wanneer een psycholoog of therapeut met iemand praat, gaat deze spiegelen, kritische vragen stellen en een ander perspectief bieden. AI doet dat niet; die waait mee met de wind van de gebruiker.
Bovendien heeft een generiek AI-systeem geen eigen ethisch kader, geen waarden en geen normen. Bij iemand die kampt met een acute psychose of suïcidale gedachten kan zo'n chatbot de paranoia of schadelijke gedachtegangen juist versterken.”
Maar er bestaan toch veiligheidsprotocollen die automatisch doorverwijzen naar hulplijnen bij gevaar?
Martijn Van Heel: “Die protocollen werken wanneer een gebruiker expliciet zegt: "Ik zie het niet meer zitten en wil een einde maken aan mijn leven." Dan wordt er direct een doorverwijzing naar een noodlijn getoond. Maar wat gebeurt er als zo'n gesprek zich subtiel ontvouwt over weken of maanden? Daarop zijn die modellen niet getraind; het is volstrekt onvoorspelbaar welke richting de chatbot zal aangeven.
En vergeet de praktische drempels niet: wat als iemand 's nachts in een diepe mentale crisis zit, praat met een gratis versie van een app, en plots de melding krijgt dat de dagelijkse tokens op zijn? Dan valt je enige klankbord op het meest kwetsbare moment abrupt weg.”
“De gespecialiseerde academische modellen lopen vast op het gebrek aan financiering”
Bestaan er dan geen AI-systemen die wél specifiek voor psychotherapeutische doeleinden zijn ontworpen?
Imke Baetens: “Jawel, die zijn er. In de academische wereld en binnen onderzoeksgroepen wordt geëxperimenteerd met AI-modellen die specifiek getraind worden op therapeutische principes. Een mooi voorbeeld is een lokaal project van Thomas More in samenwerking met psychiater Dirk De Wachter. Daarbij werd een AI-model specifiek gevoed met psychotherapeutische expertise, de juiste competenties en verantwoorde responsstijlen.”
Waarom vinden dit soort veilige, gespecialiseerde modellen hun weg dan zo moeilijk naar de praktijk?
Imke Baetens: “Grote commerciële spelers zoals ChatGPT domineren de markt, maar hun modellen zijn in essentie niet gebouwd om mentale hulpverlening te bieden. De gespecialiseerde academische modellen draaien veilig op lokale servers, maar lopen vast op het gebrek aan financiering voor de stap naar implementatie. Om zo'n systeem als officieel medisch hulpmiddel op de markt te brengen, moet je een medical device certificate halen. Zo'n certificering kost al snel € 80.000. Dat geld is er simpelweg niet bij universiteiten, waardoor veelbelovend en veilig onderzoek op de planken blijft liggen.”
Martijn Van Heel: “Dat is een gemiste kans voor de zorg. Bij een lokaal getraind en beheerd systeem is immers wél helder wie de eindverantwoordelijkheid draagt, waar de data naartoe gaan en hoe er menselijke supervisie wordt gehouden.”
“Als je niet over de juiste, vergelijkbare data beschikt, is het onmogelijk om onderbouwd en doeltreffend beleid te voeren”
In het pamflet vragen jullie ook aandacht voor data-harmonisatie. Waarom is dat zo'n belangrijk speerpunt?
Imke Baetens: “Omdat we op dit moment op Europees niveau appelen met peren vergelijken. Elk land, en vaak elk afzonderlijk onderzoeksproject, gebruikt andere vragenlijsten om psychische problemen zoals depressie of welzijn te meten. Zelfs binnen de bekende DSM-criteria bestaan er wel twaalf verschillende meetinstrumenten. Daardoor kunnen we geen betrouwbare overkoepelende metadata verzamelen op Europees niveau.
We hebben momenteel niet eens eenduidige cijfers over de prevalentie van zelfbeschadiging (self-harm) in Europa of België, doordat grootschalige studies vaak geen onderscheid maken tussen zelfverwonding en suïcidepogingen. Als je niet over de juiste, vergelijkbare data beschikt, is het onmogelijk om onderbouwd en doeltreffend beleid te voeren. Wij pleiten daarom voor geharmoniseerde Europese maatstaven.”
Imke Baetens
Hoe past de vernieuwde structuur van WeDoMind binnen al deze plannen?
Imke Baetens: “Het initiatief dat bij de VUB bekend staat als BRUCC, ons klinisch dienstverleningscentrum, en het expertisenetwerk PRISM bundelen voortaan hun krachten onder de nieuwe vlag WeDoMind. Daarmee brengen we klinische expertise, wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke betrokkenheid nog nauwer samen. WeDoMind belichaamt zo precies de visie die we ook met het pamflet uitdragen: wetenschap, praktijk en maatschappelijke impact met elkaar verbinden.”
Martijn Van Heel: “Onder WeDoMind bundelen we onze drie pijlers: klinische consultaties, wetenschappelijk onderzoek én outreach. Met ons uitgebreide scholenaanbod, trainingen, lezingen en praktische toolkits zorgen we ervoor dat academische inzichten niet in een lade blijven liggen, maar rechtstreeks terechtkomen bij scholen, gezinnen, zorgprofessionals en beleidsmakers. Dat is de manier waarop we de mentale zorg fundamenteel en duurzaam gaan veranderen.”