Na de dood van de omstreden Cambridge-professor verschoof het debat van een genadeloze klopjacht naar een tragisch portret. Florian Deroo fileert de hypocrisie en legt de vinger op de zere plek van een alledaagse blufcultuur.

Lees het volledige opiniestuk in De Standaard

Vreemd wat een sterfgeval doet. In de dagen nadat Jason Arday thuis dood werd aangetroffen, begon het discours rond de afgeschreven professor merkbaar te verschuiven. Zelfs de mediakanalen die onverzettelijk het persoonlijke leven van de man waren blijven opgraven, factchecken en op voorpagina's uitsmeren, spraken nu van een tragedie. Een zekere plechtigheid sloop in de berichtgeving. Deze man had zorg nodig, luidde het. Van een jongen uit een council estate in Clapham tot de jongste zwarte Cambridge-professor ooit; nu wordt vooral het portret van een getroebleerd individu opgetrokken.

Na de roes van de vervolging probeert het publiek ondertussen een ongemakkelijk gevoel van zich af te schudden. Want was het niet geweldig om nog eens een groot fabulist aan het werk te zien? En om dan, opgejut door een gevoel van eigen gerechtigheid, alle leugens te ontmaskeren? Het was als naar een aflevering Inspector Morse kijken, maar nu kon je vanop afstand je stem laten horen, de klopjacht zelf aanvuren. De setting was exclusief en de leugens waren kleurrijk. Er was sprake van een varkenskop in een kartonnen doos. Vijfendertig marathons in dertig dagen. Een hersentumoroperatie, twee weken voor een openbare verdediging. En binnenkort zou je alles kunnen lezen in Great and unfortunate things , de memoires waarvoor de onderwijssocioloog een voorschot van 1,4 miljoen zou hebben gekregen.

Online circuleerden beelden uit 2023 waarin een decaan het werk van de kersvers aangestelde Arday als “het beste ter wereld” prees. Toen de Times Higher Education vorig jaar het plagiaat van Arday wilde onthullen, schakelde hij een advocatenkantoor in. Maar wie nu beweert dat de zaak louter over academische integriteit ging, spreekt te kwader trouw. Het was een rassenwetenschapper aan de UGent die de aanval aanvoerde. Voor een bredere antiwokecoalitie, rechts en links overspannend, moest Arday het symbool worden van alles wat er mis is met diversiteits- en inclusiviteits­beleid. Als Arday geen zwarte man was geweest, was er hier natuurlijk nooit zoveel gemediatiseerde hetze rond geweest. De vervolgingsdrift kaderde in het structurele wantrouwen waar geracialiseerde minderheden mee geconfronteerd worden op het moment dat ze de gevestigde instellingen betreden. Zie je wel: hier schort iets aan. Er zijn andere plagiërende professoren, ook in Cambridge, die wél nog knus in hun leerstoel zetelen.

Structureel rot

Tegelijk doen we Arday oneer aan door hem nu weg te pathologiseren, of door hem af te schilderen als een passief slachtoffer, een onschuldige martelaar. Zoals de Amerikaanse essayist Sam Kriss nog benadrukte: de man was effectief een geniale fraudeur. Als een echte volksheld werkte, blufte en charmeerde hij zich de sociale ladder op. Een liberaal-progressieve witte elite kon je verleiden met een goed rags-to-riches -verhaal. Ze kon er gebruik van maken als moreel kapitaal. En ze wilde het oprecht geloven. Arday speelde de rol virtuoos, net te groots - en werd afgerekend toen de maskerade uiteenviel. Hij maakte gebruik van de technieken en sluipwegen die voorhanden waren, en het zou vals zijn om nu te pretenderen dat de burchten die hij binnendrong zelf smetteloos zijn.

Daarin schuilt het echte schandaal van de zaak-Arday. Niet in de leugens zelf, maar in de waarheid die ze blootleggen. Als een weke plek in een vochtige muur moest je maar op dit verhaal blijven drukken en de lagen structureel rot werden zichtbaar. Elite-instellingen die graag symbolisch met uitzonderlijke figuren uitpakken, terwijl institutionele veranderingen uitblijven. Een academische context waarin er zoveel moet worden gepubliceerd dat aanstellings­commissies geen tijd hebben om het allemaal grondig te lezen, laat staan kritisch tegen het licht te houden. ­Mediacycli op zoek naar stemmingmakerij en naar helden die ze later als offerlammeren kunnen recycleren. Uitgeverijen die op leed kapitaliseren. Sectoren waarin niet het werk zelf, maar de zelfpresentatie doorslaggevend blijkt. Een productielogica gestoeld op het omzetten van minimale input in opgeklopte waarde.

Florian Deroo

Florian Deroo © Ilias Teirlinck

Bliksemafleider

In zo'n omgeving begint fraude wel verleidelijk te worden. En laten we nu, onder ons, eerlijk zijn. Worden we niet aangepord om het zelf te leren, krijgen we er niet iedere dag een demonstratie van? Dat de snelste weg naar succes frauderen is? Wie competitief wil blijven, zo fluistert men, loopt er het best de kantjes van af. Bluft tijdens een vergadering. Doet alsof die zinnen van ChatGPT zijn eigen woorden zijn. Zet een slimme financiële constructie op. Schat zichzelf een paar centimeter langer in op Tinder. Dikt de maatschappelijke impact aan in het programmaboekje. Dient het toch-niet-zo-onderbouwde adviesrapport toch maar in. Wie controleert het eigenlijk nog, wie kan daar nog de tijd en de moeite in steken? Om zwaar afgestraft te worden, moet je al bij voorbaat onder verdenking staan, vijanden hebben, of een grootschalige constructie opzetten. Arday voldeed aan alle drie de voorwaarden.

Wie een kleinere zonde heeft begaan, werpt graag de eerste steen, en ook een harde. Behalve een uitlaatklep voor hooggeschoolde rancune, een geschenk voor een lastercampagne en een wapen in een cultuurstrijd was het verhaal van Arday ook een bliksemafleider. Zijn flagrante leugen overschaduwde het minder opvallende bedrog. Het schold het haast kwijt.