Meer dan dertig jaar na de wet-Lallemand-Michielsens blijft abortus in België een onderwerp waarover politieke partijen onderhandelen, stemmen ronselen en ideologische strijd voeren. Voor duizenden vrouwen gaat het niet om een abstract ethisch debat, maar om een concrete en vaak moeilijke beslissing over hun eigen leven, gezondheid en toekomst.

Het opiniestuk verscheen in De Morgen.

Vandaag geldt in België een wettelijke termijn van twaalf weken (sedert de conceptie) voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Die grens beantwoordt niet aan de maatschappelijke realiteit. Jaarlijks zien honderden vrouwen zich genoodzaakt naar Nederland uit te wijken omdat zij de Belgische termijn hebben overschreden. Niet omdat zij lichtzinnig met hun beslissing omgaan, maar omdat het leven zich niet altijd laat vatten in wettelijke termijnen. Een zwangerschap wordt soms laat ontdekt. Relaties lopen stuk. Geweld komt aan het licht. Medische, sociale of psychologische omstandigheden veranderen.
De vraag is daarbij niet of deze vrouwen een abortus zullen ondergaan. De vraag is waar. Door hen naar het buitenland te sturen, lossen we niets op. We verschuiven enkel de verantwoordelijkheid naar onze buurlanden en leggen bijkomende financiële, praktische en emotionele lasten op vrouwen die zich vaak al in een kwetsbare situatie bevinden. Verwachten we echt dat Nederland onze psychosociale problemen blijft oplossen?

"De vraag is niet of deze vrouwen een abortus zullen ondergaan. De vraag is waar. Door hen naar het buitenland te sturen, lossen we niets op"

Dat was precies een van de vaststellingen van de interuniversitaire expertencommissie, opgericht op vraag van de CD&V, die de Belgische abortuswetgeving grondig evalueerde. Na anderhalf jaar multidisciplinair onderzoek kwamen de experts unaniem (met inbegrip van de experten van de katholieke universiteiten) tot de aanbeveling om de wettelijke termijn uit te breiden tot minstens achttien weken zwangerschap na de conceptie. Die aanbeveling was niet ideologisch geïnspireerd. Ze was gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, internationale vergelijkingen en de ervaringen van zorgverleners op het terrein: op die manier zouden 75% van de vrouwen, die nu naar Nederland gaan, in België kunnen geholpen worden. Met een verlenging tot 14 weken na de conceptie is dat maar 20%. In de groep die naar Nederland moet voor haar abortus, is er een flinke proportie vrouwen met grote psychosociale problemen. Deze worden vandaag helemaal niet aangepakt en de nieuwe wet zou daar weinig aan verbeteren.
Die wetenschappelijke consensus werd vóór de publicatie van het rapport al politiek begrensd. CD&V verklaarde één dag voor de publicatie dat zij hoe dan ook geen uitbreiding zouden aanvaarden van meer dan veertien weken (sedert de conceptie). Laten we dan tenminste eerlijk zijn over wat er gebeurt: niet de wetenschap bepaalde de grens, maar een politiek dogma.

"Wanneer wetenschappelijke aanbevelingen plaats moeten ruimen voor politieke dogma’s zijn het vrouwen die de prijs betalen"

Uiteraard verdienen ethische bezwaren respect. Abortus raakt aan fundamentele vragen over leven, autonomie en verantwoordelijkheid. In een democratische samenleving moeten die vragen besproken kunnen worden. Maar een pluralistische samenleving veronderstelt ook dat één levensbeschouwelijke visie niet bepaalt welke keuzes anderen wel of niet mogen maken.
Bovendien moet het debat gevoerd worden op basis van feiten. Zo wordt er bijvoorbeeld verwezen naar het vermogen van de foetus om pijn te ervaren als argument tegen een uitbreiding van de termijn na 14 weken. Volgens specialisten in de neurologische ontwikkeling van de foetus zijn de connecties tussen de hersenstructuren, nodig om pijn te beleven, op 15 weken nog lang niet aanwezig. Wie wetenschap aanhaalt, moet haar ook correct weergeven. En, hoe dan ook, na 12 weken gebeurt de ingreep onder algemene narcose.
Hetzelfde geldt voor de wettelijk verplichte bedenktijd. Er bestaat geen wetenschappelijke of filosofische grond om vrouwen die een abortus overwegen anders te behandelen dan patiënten die andere ingrijpende medische beslissingen nemen. We gaan er terecht van uit dat volwassenen in staat zijn om weloverwogen keuzes te maken over hun eigen lichaam. Waarom zouden we dat vertrouwen hier plots loslaten? Een wettelijk verplichte wachttijd toont eigenlijk het gebrek aan vertrouwen die de wetgever heeft in vrouwen en in de abortushulpverleners.

Abortus is geen randfenomeen. Naar schatting krijgt één vrouw op vijf er tijdens haar leven mee te maken. Het gaat dus niet over "anderen". Het gaat over onze moeders, zussen, dochters, partners, vriendinnen, collega's en buren. Ze verdienen wetgeving die aansluit bij de werkelijkheid waarin zij leven. De verdere liberalisering van de abortuswetgeving is geen radicale stap. Ze is een logisch vervolg op een maatschappelijke evolutie die decennia geleden begon met de erkenning dat vrouwen zelf over hun lichaam en hun toekomst moeten kunnen beslissen. Dat betekent niet dat het ethische dilemma verdwijnt. Wel dat de wet een evenwicht moet zoeken tussen respect voor verschillende overtuigingen en de bescherming van fundamentele rechten. Niemand is trouwens verplicht om voor abortus te kiezen!
De geschiedenis leert bovendien dat verworven rechten nooit definitief zijn. In verschillende landen worden reproductieve rechten vandaag opnieuw ingeperkt. Die evoluties herinneren ons eraan dat vrijheid niet vanzelfsprekend is en dat waakzaamheid noodzakelijk blijft.

Het debat over abortus verdient sereniteit, respect en nuance. Het verdient ook intellectuele eerlijkheid.
Het is tijd dat de Belgische abortuswetgeving de maatschappelijke realiteit weerspiegelt. Niet uit ideologie, maar uit respect voor vrouwen, voor wetenschap en voor de vrijheid van ieder individu om zijn of haar eigen levenskeuzes te maken.