De voorbije jaren is ‘vrijwillige terugkeer’ uitgegroeid tot een centrale pijler van het Belgische migratiebeleid. Het concept wordt voorgesteld als een humane keuze, een zacht alternatief voor gedwongen uitzetting. Maar achter die schijn van keuzevrijheid gaat een complex geheel van subtiele machtstechnieken en bureaucratische sturing schuil. Dat blijkt uit het onderzoek van VUB‑criminologe Laure Deschuyteneer, dat recent verscheen in het juridische wetenschappelijke tijdschrift Panopticon en kadert binnen haar bredere doctoraatstraject rond soft deportation en vrijwillige terugkeerprogramma’s.
In België wordt vrijwillige terugkeer al jaren voorgesteld als een vriendelijker alternatief voor gedwongen uitzetting. Migranten die niet in het land kunnen blijven, krijgen begeleiding, ondersteuning en soms financiële hulp om terug te keren naar hun land van herkomst. De overheid noemt het een humane keuze, zonder dwang. Maar wie zich verdiept in hoe dat beleid in de praktijk werkt, merkt dat het verhaal minder eenvoudig is.
Laure Deschuyteneer, criminologe aan de Vrije Universiteit Brussel, bestudeert hoe het Belgische terugkeerbeleid evolueert, en vooral hoe subtiele vormen van macht en bureaucratische druk de zogenaamd vrijwillige keuzes van migranten kunnen beïnvloeden. Haar conclusie: volledige vrijwilligheid is vaak een illusie.
“Ze worden gestuurd door subtiele vormen van druk en macht” zegt Laure. Die druk zit niet in harde maatregelen, maar in procedures, documenten, gesprekken, taalgebruik en wat de overheid zelf ‘aanklampend beleid ’noemt — een beleid waarbij migranten nauw opgevolgd en actief aangespoord worden om terugkeer te overwegen wanneer er geen verblijfsopties meer zijn. “Het aanklampend beleid is ook effectief wettelijk verankerd,” benadrukt ze.
"Het terugkeerbeleid moet voldoen aan de mensenrechtenstandaarden"
Deschuyteneer is niet de eerste wetenschapper die vraagtekens plaatst bij het concept van vrijwillige terugkeer. In de internationale literatuur wordt het fenomeen steeds vaker aangeduid als soft deportation: een vorm van migratiecontrole waarbij geen handboeien aan te pas komen, maar waar de uitkomst — vertrek — toch grotendeels gestuurd wordt. Haar doctoraatsonderzoek kadert in een breder FWO‑project dat de opkomst van zulke ‘zachte macht’ in migratiebeheer analyseert.
Het ‘vodje papier’
Een van de meest opvallende elementen in Laures bevindingen is de rol van documenten. In haar artikel in Panopticon analyseert ze de zogeheten paper trails: de administratieve trajecten die migranten moeten doorlopen en de beslissingen die hen worden opgelegd – zoals het bevel om het grondgebied te verlaten – zelfs wanneer ze vrijwillig willen vertrekken. Die papieren zijn niet alleen administratief; ze zijn symbolische én praktische instrumenten van staatsmacht. Ze markeren iemands juridische status, leggen tijdsdruk op, eisen beslissingen en bepalen welke opties nog openstaan.
In haar eigen woorden: “Het bevel om het grondgebied te verlaten, of het ‘vodje papier’, zoals het in het politieke debat soms wordt genoemd, is belangrijker geworden dan vaak wordt aangenomen. Migranten die vrijwillig willen vertrekken en gebruik willen maken van de ondersteuning die Fedasil aanbiedt, moeten zich vandaag eerst melden bij de Dienst Vreemdelingenzaken en een bevel krijgen om het grondgebied te verlaten.”
Van harde macht naar zachte macht
Volgens Deschuyteneer toont dit hoe het Belgische terugkeerbeleid doorheen de jaren is verbreed. Naast repressieve instrumenten zoals detentie en gedwongen terugkeer, die sinds de jaren tachtig prominent aanwezig zijn, wordt vandaag ook ingezet op zachtere vormen van begeleiding, zoals verplichte aanmelding, opvolggesprekken en huisbezoeken. “Het zachte zit in de dialoog met de migrant,” zegt Deschuyteneer. “Maar de macht zit in het feit dat de dialoog plaatsvindt binnen een kader dat door de staat wordt bepaald.”
Die evolutie naar meer dialoog in het terugkeerbeleid is deels geïnspireerd door het Nederlandse model, waar de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) al langer gesprekken organiseert met migranten over hun mogelijke terugkeer. Internationaal onderzoek, onder meer van Laura Cleton (Erasmus Universiteit Rotterdam), toont echter dat zulke trajecten zelden volledig vrijwillig zijn en vaak gepaard gaan met subtiele vormen van druk.
Tegelijk betekent dat niet dat migranten louter passieve actoren zijn. “De zachte macht is niet absoluut,” benadrukt Deschuyteneer. “Migranten ontwikkelen strategieën van verzet in die gesprekken, bijvoorbeeld door zich op hun rechten of mensenrechten te beroepen.”
Laure Deschuyteneer
Een beleid in beweging
In België coördineert Fedasil al meer dan veertig jaar het programma voor vrijwillige terugkeer van asielzoekers en mensen in irregulier verblijf. Migranten die niet (langer) in België kunnen of willen blijven, krijgen begeleiding, ondersteuning en soms financiële hulp om terug te keren naar hun land van herkomst. De sociale insteek en de ‘vrijwilligheid’ van het Belgische programma staan al geruime tijd ter discussie. Recente ontwikkelingen, waaronder de opkomende rol van de Dienst Vreemdelingenzaken om personen ‘aanklampend’ te begeleiden, zetten die discussie opnieuw prominenter op de agenda.
Intussen verandert het Belgische landschap snel. “Momenteel is het ook een hectische periode,” zegt Laure. “Wereldwijd is de geopolitiek op drift en op binnenlands niveau wordt het beleid herdacht.” Ze verwijst onder meer naar plannen om migratiebevoegdheden te bundelen binnen één FOD Migratie, met een mogelijke samensmelting van DVZ en Fedasil. “Dat heeft niet alleen veel gevolgen voor het personeel van die organisaties, maar vooral voor de migranten zelf.” Tegelijk wijst ze op prangende vragen: hoe verhouden zulke maatregelen zich tot internationale conventies?
Geen oordeel, wel inzicht
Zelf velt Laure geen oordeel over het beleid. “Persoonlijk kan ik niet zeggen of het aanklampend beleid goed of slecht is. Het terugkeerbeleid moet in elk geval wel voldoen aan de mensenrechtenstandaarden” zegt ze. Haar bijdrage ligt elders: ze wil blootleggen hoe het beleid werkt, welke effecten het heeft en welke spanningen het veroorzaakt.
Laure toont aan dat de grens tussen vrijwilligheid en dwang niet loopt tussen twee uitersten, maar ergens in het grijze midden waar de staat meekijkt, stuurt en overtuigt — en waar migranten proberen te navigeren binnen een systeem dat hen zowel kansen als beperkingen biedt.
Referentie
Deschuyteneer, L. (2026). (G)een vodje papier? Over de macht en werking van 'paper trails' in het Belgische terugkeerbeleid. Panopticon, 47(1), 34-50