āSinds de vorige poging om een Brusselse regering te vormen in elkaar stuikte, vreest iedereen voor ālopende zakenā tot de volgende verkiezingen. Om deze patstelling te verklaren grijpen sommigen terug naar het communautaire conflict. Maar de Brusselse blokkage lijkt in grote mate een ideologische kwestie te zijnā, schrijft Cian De Greve (VUB). āDat politici het taalkundige conflict weer uit het vriesvak halen, dient dan ook veeleer om deze impasse te rechtvaardigen, dan om communautaire problemen in de maatschappij aan te kaarten.ā
Het Brusselse model is ontworpen om de angel uit het taalkundige conflict te halen. Zo hebben Franstaligen en Nederlandstaligen een vast aantal zetels in het Brussels parlement, en moet elke taalgroep haar eigen meerderheid aanleveren om tot een gezamenlijk regering te komen. Dit model was lange tijd enigszins succesvol: meer dan 30 jaar lang werden de twee taalgroepen gestimuleerd om samen de stad te besturen. Paradoxaal genoeg duiden sommigen net dit model aan als oorzaak van de huidige impasse. Zo verklaarden PS-voorzitter Paul Magnette en Zakia Khattabi (Ecolo) naar aanleiding van de gestrande formatiepoging van Yvan Verougstraete (Les EngagƩs)dat de Nederlandstaligen Brussel bewust blokkeren vanuit hun positie als beschermde minderheid. Tegelijkertijd is het ook de PS die zich inmengde met de vorming van een Nederlandstalige meerderheid door een veto tegen N-VA te stellen, waar Anders (Open VLD) en CD&V op hun beurt weigeren aan toe te geven. Zo laait het communautair conflict toch weer op. Nochtans lijken de obstructies veel eerder te berusten in een ideologische strijd van links tegen rechts.
Een gewest als geen ander
Om de politieke dynamieken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beter te begrijpen, is het belangrijk om te beseffen dat het met 14.040 inwoners per parlementslid een regio is die veel dichter bij de burger opereert dan het Vlaamse en Waalse Gewest, die respectievelijk 57.812 en 49.230 inwoners per parlementslid tellen. Hierdoor hebben individuele politici in Brussel meer macht dan op de andere politieke niveaus van Belgiƫ.
Zeker als ze over een trouw electoraat beschikken, hebben ze de steun van de nationale partij niet nodig om verkozen te raken. Op die manier hoeven Brusselse politici zich dus niet zomaar te laten knechten door de particratie.
āOoit waren de Brusselse politici instaat om onderlinge kloven te overbruggen, iets wat de huidige generatie als onmogelijk doet uitschijnenā
Daarnaast overlapt het territorium van het Gewest met verschillende intercommunale dienstverleners. Op deze manier vormt Brussel in de praktijk een soort van stadsgewest, dat autonoom verschillende diensten en voorzieningen uitbaat in de hoofdstedelijke agglomeratie. Hierdoor bestaat er een verstrengeling tussen gewestelijke en gemeentelijke materie. Een goed voorbeeld hiervan is het mobiliteitsplan āGood Moveā, wat een initiatief van het Gewest was om doorgaand verkeer uit dichtbevolkte wijken te weren. Echter, is het Gewest enkel bevoegd voor gewestwegen en dus lag de feitelijke uitwerking grotendeels bij de gemeenten. Zulk lokaal beleid wordt vaak gepercipieerd als losstaande van ideologisch conflict, omdat zaken zoals afvalophaling of wegenwerken het algemeen belang dienen.
Zodoende kon er zich lange tijd een aparte Brusselse politieke sfeerontwikkelen, die zowel qua vertegenwoordiging als inhoud ver van de nationale politiek stond. Nederlandstalige en Franstalige partijen konden makkelijker met elkaar door een deur dan op het federale niveau. Ook de partijen die elke taalgroep afvaardigde, dienden niet overeen te stemmen. Zo regeer(t/-de) Anders (Open VLD) al sinds 2004 zonder de MR en met de PS. Tegelijkertijd deden de Franstalige socialisten het ook al met de Volksunie; de voorloper van de N-VA bekleedde met Vic Anciaux zelfs een regeringspost in de regeringen Picqué I en II (PS). Ooit waren de Brusselse politici instaat om onderlinge kloven te overbruggen, iets wat de huidige generatie als onmogelijk doet uitschijnen. Echter, bestaat de Brusselse politiek niet in een vacuüm en is ze ook onderhevig aan tendensen die we in alle Westerse democratieën zien.
De derde weg
Om dat hard te maken moeten we terug naar de wereld van 1989, waarin het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ontstond. Er heerste een tijdsgeest die Francis Fukuyama inspireerde om het einde van de geschiedenis uit te roepen: het sovjetmodel was ingestort en de grote ideologische vraagstukken zouden definitief achter ons liggen. In zoān wereld leek het mogelijk om politiek te bedrijven vanop een zogenaamde āderde wegā tussen links en rechts. Hierbij ging men ervan uit dat beleid gevoerd kon worden op basis van ƩƩn objectieve en gedeelde waarheid, dewelke deelbelangen oversteeg en het gezamenlijk belang bevorderde.
Brussel was een kind van haar tijd. Sinds haar ontstaan werd het Gewest bestuurd door coalities waarbinnen de ideologische samenhang een secundair gegeven was. Van socialisten, liberalen, christendemocraten, ecologisten, Franstalige federalisten tot en met Vlaams-nationalisten: in elke Brusselse regering waren er minstens vier van die verschillende partijfamilies vertegenwoordigd (FDF zat tot 2011 in een kartel met MR en AGALEV kwam in 1999 met de SP op). Met andere woorden, er moest altijd water bij de wijn ā of in dit geval suiker bij de geuze ā gedaan worden.
Turbulente tijden
Het laatste decennium is er evenwel veel veranderd in de wereld. De stabiliteit en rust waar technocratisch beleid op kon steunen werd door elkaar geschud. Niet alleen de wereldorde verschuift, ook intern is er turbulentie. De budgettaire marge waarmee ideologische verscheidenheid afgekocht kon worden, is er niet meer. Dat is de paradox van een krap budget: hoe groter de financiƫle druk, hoe meer nood aan daadkrachtig beleid, maar tegelijkertijd wordt het des te moeilijker om een compromis te sluiten dat iedere partner lust. Daartegenover staat dat onze maatschappij opnieuw voor ingrijpende vraagstukken staat. Bijgevolg doemt het spook van grote ideologische conflicten opnieuw op. Zo is er doorheen de democratische wereld wederom een duidelijke strijd tussen (extreem-)links, het centrum en (extreem-)rechts. Ook in Brussel ontaarden ogenschijnlijk neutrale kwesties in maatschappelijke splijtzwammen, zoals het conflict rond Good Move aantoonde.
Wereldbeelden botsen, op zulk een manier dat onderlinge overeenkomsten schaars worden. De partijen die vroeger het Brusselse project mee uitdroegen, trekken zich terug in hun eigen gelijk. Waar er vroeger compromisbereidheid was, stelt men nu vetoās om de eigen ideologische puurheid te beklemtonen. Kortom, in het verleden hoefde een complexe verkiezingsuitslag niet persĆ© te leiden tot een blokkage zoals we die nu meemaken. De bereidheid om die ideologische kloven te overbruggen, ontbreekt echter vandaag. Als nevenschade riskeert het communautaire conflict weer op te laaien.
Hiermee moet men oppassen, want we weten allemaal waar dat uitmondt. In deze turbulente tijden kunnen we gebakkelei over de staatsstructuur missen als kiespijn.