Het Brusselse kiesstelsel is ontworpen voor een Gewest dat niet meer bestaat. Toen het in de jaren 1970 en 1980 werd uitgedacht, draaide het politieke debat in Brussel hoofdzakelijk rond taal. Een Franstalige die voor een Nederlandstalige stemde, of omgekeerd, was bijna ondenkbaar. Werken met twee aparte kiescolleges was logisch. En doordat de Nederlandstalige minderheid haar vertegenwoordigers in parlement en regering afzonderlijk kon kiezen, waren haar belangen beschermd.

Dit opiniestuk verscheen in De Standaard

Maar Brussel is veranderd. Belgen wier beide ouders als Belg geboren zijn, vormen vandaag slechts een vijfde van de bevolking en een derde van het kiespubliek. Veiligheid, netheid, mobiliteit en laïciteit zijn nu de breuklijnen in het politieke debat, veel meer dan het taalconflict van weleer. Bovendien voeren alle partijen uit het Nederlandstalige college campagne in beide talen.

Het record van 615 dagen regeringsvorming na de verkiezingen van juni 2024 was een teken aan de wand, een symptoom van een kiesstelsel en een formule voor regeringsformatie die niet langer functioneren.

Daarom is hervorming noodzakelijk. De Brusselse regering mag niet meer het gedwongen huwelijk zijn van twee onafhankelijk van elkaar gevormde meerderheden. Zoals op gemeentelijk en federaal niveau moeten tweetalige lijsten kunnen worden ingediend. Tegelijkertijd mag de gegarandeerde vertegenwoordiging van Nederlandstaligen in het Brusselse parlement en de Brusselse regering niet in het gedrang komen. Die is broodnodig om de Gemeenschapscommissies werkbaar te houden, om dubbele meerderheden mogelijk te maken bij taalkundig gevoelige dossiers en om een evenwicht te bieden tegenover de pariteit in de federale regering. Ze voorziet Brussel ook van Nederlandstalige “ambassadeurs” die de violen kunnen afstemmen met het omliggende gewest en met het federale niveau waar Nederlandstaligen de meerderheid vormen.

Er bestaan diverse formules om die gegarandeerde vertegenwoordiging voor beide taalgroepen te verankeren binnen één kiescollege. Een interessante piste kent de zetels proportioneel toe aan de lijsten volgens de gebruikelijke regel, waarbij zowel lijst- als voorkeurstemmen voor eender welk aantal kandidaten op dezelfde lijst mogelijk zijn – ongeacht of zij Frans- of Nederlandstalig zijn. Daarna kent men de zetels toe op basis van persoonlijke en lijststemmen. Wijkt die uitkomst af van het gegarandeerde evenwicht tussen Frans- en Nederlandstalige verkozenen – vandaag is dat 72/17 – dan gaan de ‘overtollige’ zetels naar de andere taalgroep. Eerst binnen dezelfde lijst, als die tweetalig is. Is de lijst eentalig, dan gaat de zetel naar de volgende lijst in de volgorde van de proportionele zetelverdeling, op voorwaarde dat die kandidaten van de vereiste taalgroep bevat.

De verkozenen blijven de colleges vormen van de COCOF en VGC (de Franse en de Vlaamse Gemeenschapscommissie). Ook de Brusselse vertegenwoordiging in het Parlement van de Franse Gemeenschap kan blijven bogen op de Franstalige leden van het Brussels Parlement. Voor het Vlaams Parlement is een alternatief nodig, bijvoorbeeld via verkiezing door kiezers met een identiteitskaart in het Nederlands.

In deze formule zullen – zeker als de kiesdrempel van 5 procent behouden blijft – Nederlandstalige partijen met een Franstalige zusterpartij geneigd zijn om een gezamenlijke lijst te vormen, eventueel met twee eentalige sublijsten die autonoom worden samengesteld door beide partijen. Andere Nederlandstalige partijen zullen hun basis moeten verbreden en focussen op niet-communautaire thema’s, zoals de N-VA al deed in Wallonië. Tegelijkertijd valt een verlaging van de kiesdrempel te verdedigen, om de overlevingskansen van eentalige Nederlandstalige lijsten te garanderen, en vooral om de machtsverhoudingen binnen nieuwe, tweetalige lijsten in evenwicht te houden.

Dit voorstel behoudt de dubbele meerderheid voor de regeringsvorming – wat niet anders kan zolang de uitvoerende machten van COCOF en VGC uit de Brusselse regering voortkomen. Het cruciale verschil is dat er onderhandeld zal worden tussen hoofdzakelijk tweetalige lijsten in plaats van tussen twee aparte taalkampen, wat de kans op verlamming verkleint. Als ze nodig zijn, worden taalcompromissen eerder gesloten binnen de lijsten zelf. Zo kunnen de onderhandelingen over veiligheid, mobiliteit, huisvesting, begroting – de dossiers waar Brussel elke dag mee worstelt – sneller van start gaan.

Doet zo’n systeem de Brusselse instellingen aansluiten op de sociaal-demografische realiteit? Beschermt het de Nederlandstalige Brusselaars zonder buitensporige privileges, en zonder het parlement nog meer te versnipperen? Verandert het de dynamiek voldoende om blokkeringen te vermijden, terwijl de dubbele meerderheid behouden blijft? Dat debat heeft Brussel nu nodig. Want een gewest met zoveel uitdagingen kan zich geen politieke instellingen permitteren die ontworpen zijn voor een verleden dat niet meer bestaat.

Céline Romainville (UCLouvain), Dave Sinardet (VUB & UCLouvain), Émilie Van Haute (ULB), Guillaume Delvaux (UCLouvain),  Kris Deschouwer (VUB), Petra Meier (UAntwerpen), Willem Sas (UHasselt & University of Stirling), Philippe Van Parijs (UCLouvain & KU Leuven)

Dit opiniestuk is gebaseerd op een position paper gepubliceerd door Brussels Studies en een e-book gepubliceerd door Re-Bel (Rethinking Belgium’s Institutions). De inhoud wordt besproken tijdens een debat op 9/3 maart (17u tot 19u) in de Universitaire Stichting, gemodereerd door Béatrice Delvaux (Le Soir) en Karel Verhoeven (De Standaard).