Met de kerncentrales is de Belgische staat niet aan zijn proefstuk toe op het vlak van nationalisering in de energiesector. Professor emeritus geschiedenis Guy Vanthemsche denkt aan de steenkoolmijnen, die de overheid niet kon redden. Is de nationalisering van de Belgische kerncentrales een verrassing? Niet echt. En dat die beslissing bovendien wordt genomen door een regering met een sterke liberale inslag? Dat is evenmin verwonderlijk, althans niet voor historici. Het verleden toont immers aan dat de relatie tussen overheid en privésector veel complexer is dan politieke slogans doen geloven. Het is overigens niet de eerste keer dat de Belgische staat een problematische economische sector overneemt.
Hoewel de beslissing lijkt in te gaan tegen de liberale principes, rechtvaardigt MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez de ingreep door te zeggen dat (kern)energie “een strategische sector” is. Vreemd genoeg herhaalt hij daarmee een argument dat de socialistische partijen al verkondigden vanaf het begin van de 20ste eeuw. Volgens de Belgische Werkliedenpartij en nadien de BSP/PSB (de unitaire voorlopers van PS en Vooruit) kwam het beheer en de uitbating van de economische sleutelsectoren toe aan de gemeenschap. Naast banken en transport moesten dus ook de steenkoolmijnen en de gas- en elektriciteitssector eigendom worden van de overheid.
Eigen steenkool eerst
Die socialistische droom is in België echter nooit uitgekomen - tenminste zolang de privébedrijven winst maakten. Eens dat niet meer het geval was, kon de staat wél eigenaar worden. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de steenkoolsector. Na decennialang enorme subsidies in bodemloze putten gestort te hebben, nam de overheid in 1980 een dominante participatie in de verlieslatende NV Kempense Steenkoolmijnen - de facto een nationalisering. Het 'nationaal belang' vereiste zogezegd dat de Belgische economie, meer bepaald de staalsector en de elektriciteitscentrales, gevoed werd door (dure) steenkool uit eigen bodem - een stelling die decennialang werd verdedigd. Die keuze bleek echter een doodlopende straat. Na de sluiting van de laatste Belgische mijnen werden de benodigde en goedkopere steenkool en cokes ingevoerd uit het buitenland. Bovendien waren de kerncentrales toen in volle opmars. Zij stonden in voor een toenemend deel van de elektriciteitsproductie.
Die kerncentrales waren helemaal in handen van de privésector, meer bepaald van de elektriciteitsbedrijven die deel uitmaakten van de groep van de (ondertussen verdwenen) holding Generale Maatschappij. Na de Tweede Wereldoorlog zag het Belgische privékapitaal duidelijk brood in de ontwikkeling van civiele nucleaire activiteiten. Nochtans wilden de socialisten in de jaren 1950-1960 de elektriciteitsproductie door kernsplijting toevertrouwen aan de staat (minstens via een belangrijke kapitaalparticipatie in de toekomstige centrales). Het ging immers om een 'strategische sector' en bovendien had de overheid al aanzienlijke sommen gepompt in nucleair onderzoek.
Maar zoals bij de andere nationaliseringsplannen kwam daarvan niets in huis. Dergelijke drastische ingrepen werden immers altijd tegengehouden door de andere grote politieke speler van christendemocratische signatuur: de CVP-PSC, voorloper van CD&V en Les Engagés. Nochtans had de nationalisering van de energiesector in Frankrijk in 1945 geleid tot het ontstaan van twee bloeiende en goed werkende bedrijven, zijnde EDF en GDF (respectievelijk Électricité en Gaz de France).
Zo bleven de bouw en de uitbating van Belgische kerncentrales in handen van de privésector, meer bepaald (na fusies tussen Belgische elektriciteitsbedrijven) van de monopolist Electrabel. Die maakte eerst deel uit van de groep van de Generale Maatschappij, maar nadien - het nationaal strategisch belang ten spijt - werd het bedrijf overgenomen door Frans grootkapitaal (GDF-Suez, in 2015 omgedoopt tot Engie). Ondanks de grote subsidies die de Belgische overheid jarenlang had toegekend aan de nucleaire sector, bleven de megawinsten van de kerncentrales dus in private handen.
Staat in achtervolging
Die dominante positie van het private grootkapitaal in de 'strategische sector' die de kerncentrales altijd zijn geweest, is grotendeels binnenskamers tot stand gekomen, door discreet overleg in en tussen raden van bestuur van private ondernemingen, ministeriële kabinetten en het toenmalige Controlecomité voor Elektriciteit en Gas. De toelating voor de bouw van de eerste centrales, Doel I en Tihange I, kwam er in de tweede helft van de jaren 1960 zonder voorafgaand parlementair debat. Ook de volgende centrales lagen toen al in het vooruitzicht. De openbare discussie over de wenselijkheid van civiele kernenergie, op gang gebracht door protest over de mogelijke bouw van een centrale in Zeebrugge, laaide pas op in het midden van de jaren 1970. Maar toen had ons land zich al volop geëngageerd in de kernenergie: er was geen weg terug.
Of, en tegen welke prijs en onder welke voorwaarden het huidige nationaliseringsplan uiteindelijk verwezenlijkt zal worden, is uiteraard nog volstrekt onduidelijk. Minister van Energie Mathieu Bihet (MR) verklaarde dat er nog “grondig onderzoek” over technische, juridische en financiële kwesties nodig is om de zaak rond te krijgen ( DS , 2 mei ). Die uitspraak wijst op een decenniaoud euvel waarmee de overheid kampt in energetische dossiers: een gebrek aan échte kennis over de sector. Doordat de staat slechts vanop afstand en indirect, via (min of meer efficiënte) controle-instanties, het hart van de private energiesector kon en kan opvolgen, en dus nooit échte knowhow opbouwde, is hij traditiegetrouw aangewezen op achtervolgen, zonder ooit vooruit te kunnen lopen. Die structurele onwetendheid, oorzaak van relatieve onmacht, vloeit dan weer voort uit de 'strategische' keuze die in België decennialang werd aangehouden: aan de staat werd échte kapitaalparticipatie in de winstgevende energiesector steeds ontzegd. Volgens het traditionele liberale discours weten privéondernemers beter dan politici en ambtenaren wat goed is voor de economie, en is de staat dan 'per definitie' een slechte industrieel. Maar nu het privékapitaal geen heil meer ziet in de kernenergie, gaan die stellingen blijkbaar niet meer op. Wat zal het beloofde “grondig onderzoek” dan uitwijzen? Wie weet, misschien zullen er op de terreinen van Doel en Tihange in 2035 wel grote windturbineparken worden gebouwd.