Schaamte, complexe gevoelens en over het hoofd gezien. Een ouder in de gevangenis heeft impact op een kind. Criminologe en doctoraatsonderzoeker Joyce Albrecht (VUB) onderzoekt hun leefwereld en richtte BuitenFamilies op, een VZW die families ondersteunt die met detentie worden geconfronteerd. “Familieleden voelen zich vaak mee gestraft voor daden die ze zelf niet hebben gepleegd. Alsof een partner of kind medeplichtig is.”
Wat betekent het voor een kind als een ouder plots wordt weggehaald?
Joyce: “Dat laat een diepe indruk na, kinderen gebruiken niet zelden het woord traumatisch. Een kind dat ’s nachts wakker schrikt, door de deuropening gluurt en agenten in het huis ziet. Soms ontstaat er chaos, soms verloopt het rustiger, maar de breuk is dezelfde: plots valt een heel belangrijke persoon voor het kind weg. Wat me telkens treft, is hoe weinig aandacht er is voor de kinderen die op dat moment aanwezig zijn. Ze krijgen nauwelijks uitleg, worden soms uit de kamer gehaald en in veel gevallen is er niemand op kinderen en families op te vangen. Of ze nu vijf of vijftien zijn: ze begrijpen het misschien niet helemaal, maar voelen alles wel.”
Welke sporen laat dat na?
Joyce: “Kinderen vertellen over schuldgevoelens, alsof zij iets verkeerd hebben gedaan. Ze schamen zich, voelen verdriet, angst, boosheid. Sommige worden stil, anderen rebels. En soms zie je het niet aan de buitenkant: ze passen zich aan, worden ‘flink’, maar ze zitten slecht in hun vel. Tegelijk kan de arrestatie van een ouder in een onveilige thuissituaties ook tijdelijk rust voor het kind brengen, maar uiteindelijk doet dat niets af aan de breuk.”
Hoe groot is de groep kinderen met een gedetineerde ouder?
Joyce: “Dat weten we niet. België houdt geen structurele cijfers bij, dus moeten we van schattingen uitgaan. Vaak wordt getal 17.000 genoemd, maar het blijft nattevingerwerk. En wie niet wordt gezien, telt vaak niet mee.”
België onderschrijft de kinderrechten. Worden die dan niet toegepast?
Joyce: “Formeel wel, maar de praktijk is ingewikkeld. De gevangeniswetgeving vertrekt vanuit de rechten van de gedetineerde ouder, niet van het kind. Een kind dat op bezoek wil gaan, mag soms niet; een kind dat níét wil, moet soms tóch. Ze hebben recht op informatie, op inspraak, op veiligheid, maar zodra een ouder in de gevangenis zit, vallen ze in een grijze zone. Het is onduidelijk wie er verantwoordelijk is om kinderen te informeren en hoe dat dan moet. Kinderrechten zijn niet rechtstreeks afdwingbaar en de toepassing verschilt bovendien per regio.”
“Veel kinderen verzinnen een ander verhaal: papa werkt in het buitenland, mama ligt in het ziekenhuis”
Hoe verlopen bezoekmomenten?
Joyce: “Dat verschilt enorm. Er zijn gevangenissen met een aangepaste ruimte met speelgoed, kleurpotloden of wordt er soms een kinderactiviteit voorzien. Het aangepast kinderbezoek is belangrijk: daar kunnen kinderen vrij rondlopen en spelen met hun ouder. Maar tijdens het gewone bezoek gelden vaak dezelfde regels als voor volwassenen: blijven zitten, niet bewegen, niet op schoot. Dat is moeilijk te begrijpen voor een kind. Dit vertrekt heel erg vanuit risico denken en niet vanuit het perspectief van het kind.”
Zijn er ook goede voorbeelden?
Joyce: “Hasselt bijvoorbeeld. Daar organiseren ze wekelijks een kinderatelier waar kinderen met hun ouder kunnen knutselen of schilderen. Ze mochten zelfs mee de familiale bezoekzaal inrichten. Dat maakt een wereld van verschil: kinderen zijn geen bijzaak. Maar zulke voorbeelden zijn eerder uitzonderingen. Ze hangen af van goodwill, vrijwilligers en budgetten. Zonder kader ontstaan grote verschillen.”
Wat zegt Europa hierover?
Joyce: “Er bestaat een Europese richtlijn met 56 aanbevelingen, van arrestatie tot re-integratie. Een sterkeblauwdruk. Maar België past ze niet systematisch toe. Sommige gevangenissen nemen een paar elementen over, maar geen enkele gevangenis voldoet aan alle aanbevelingen. En ‘kindvriendelijk’ wordt soms gereduceerd tot een kleurrijke muurschildering op de muur. Terwijl het gaat over informatie geven, houding van personeel, communicatie naar kinderen en structurele oplossingen. Over hoe kinderen worden ontvangen en betrokken, niet over wat er aan de muur hangt.”
Hoe ervaren vaders het?
Joyce: “Veel vaders verlangen intens naar contact, maar botsen op wat ‘gatekeeping’ heet: pleeggezinnen, instellingen of ex-partners die contact tegenhouden of bemoeilijken. Soms terecht, soms niet. Voor vaders voelt het alsof ze met handen en voeten zijn gebonden. Ze hebben geen contactverbod en begrijpen niet waarom ze hun kind niet mogen zien. Ze zeggen vaak: ‘Ik weet niet welke stap ik moet zetten, wat mijn rechten zijn.’ Niemand legt hen iets uit. Daartegenover zien we ook gateopening, waarbij de andere ouder een verbindende rol speelt bij het contact tussen ouder en kind. Dit maakt een wezenlijk verschil.”
“Gezinnen zitten met vragen en angst en weten niet waarheen”
De maatschappij kijkt vaak hard naar deze families.
Joyce: “Heel hard. Het idee ‘eigen schuld, dikke bult’ straalt op hen af, alsof kinderen of partners medeplichtig zijn. Familieleden voelen zich vaak mee gestraft voor daden die ze zelf niet hebben gepleegd. Dat leidt tot stigma, isolement en zwijgen. Veel kinderen verzinnen een ander verhaal: papa werkt in het buitenland, mama ligt in het ziekenhuis. Het taboe is zó groot. Maar alleen een geheim dragen is ook heel zwaar.”
Waar kunnen families terecht?
Joyce: “In de gevangenis zelf biedt vooralCAW waardevolle begeleiding voor personen in detentie. Maar buiten de muren is het aanbod dun: familiebegeleiding van het CAW bestaat in slechts drie gevangenissen. Dat is absurd weinig. En gezinnen hebben ook schrik om hulp te vragen, uit wantrouwen of uit angst dat het systeem hen zal benadelen. Daardoor staan ze er vaak alleen voor.”
Je richtte BuitenFamilies op. Waarom?
Joyce: “Omdat de leemte enorm was. Gezinnen zitten met vragen en angst en weten niet waarheen. Wij verlagen die drempel, verbinden lotgenoten, maken informatie toegankelijk en helpen professionals. En we sensibiliseren het beleid. We zijn met vier initiatiefnemers, allemaal ervaringsdeskundigen. Die combinatie met professionele expertise maakt echt verschil. Families herkennen iets in ons, en dat maakt de stap kleiner. Maar we kunnen ook de brug maken naar het beleid, want we spreken dezelfde taal.”
“Ik mocht papa niet knuffelen, omdat het tegen de regels was”
Je deelt intussen ook je eigen verhaal. Hoe ben je daar geraakt?
Joyce: “Dat heeft lang geduurd. Als kind voelde ik schaamte en zweeg ik. Pas eind twintig merkte ik hoe sterk de ervaring doorwerkte. Psychologische hulp was een kantelpunt. Mijn eerste getuigenis, op een klein theaterpodium, was erg spannend, maar het publiek reageerde enorm goed. Mensen herkenden zich en deelden hun verhalen. Dat moment heeft me veranderd: ik voelde dat openheid een kracht kon zijn en het stigma kon doorbreken. Nu zie ik mezelf als een brugfiguur: iemand die weet van onderzoek én uit ervaring spreekt. Een ‘spreidstandburger’.”
Wat zou volgens jou morgen al kunnen veranderen?
Joyce: “Voer een kinderrechtencheck in, vanaf de arrestatie tot het bezoekmoment en daarna. Er zijn belangrijke sleutelmomenten waarmee er rekening gehouden kan worden. Vandaag wordt ‘kindvriendelijk’ vaakgereduceerd tot kinderbezoek, maar het gaat over veel meer: informatie, ondersteuning en betrokkenheid. Zo’n check dwingt ons telkens vanuit het kind te denken: wat heeft het nodig, welke informatie krijgt het, hoe kan het zijn ouder zien op een manier die veilig voelt? En het mooie is: we hoeven niets uit te vinden. De Europese richtlijn bestaat al. We moeten ze gewoon eindelijk gebruiken, structureel en consequent. Dat zou een wereld van verschil maken.”