In het nieuwe themaboek JONGeren in Meervoud leggen VUB‑onderzoekers bloot hoe vrijwilligerswerk bij jongeren vandaag nog altijd sterk gestuurd wordt door sociale ongelijkheden: wie je bent, waar je naar school gaat en welke netwerken je hebt, bepaalt of je de weg naar engagement vindt. VUB-onderzoeker Fien Pauwels: “Jongeren met een migratieachtergrond worden nog te vaak niet gezien als de ‘ideale vrijwilliger’.”

Het boek wordt uitgegeven door borgerhoff & lamberigts

Het nieuwe themaboek Jongeren in Meervoud is verschenen, en drie VUB‑onderzoekers – Fien Pauwels, Bram Spruyt en Jessy Siongers – leverden daarin een opvallende en omvangrijke bijdrage. Hun onderzoek naar vrijwilligerswerk bij jongeren vormt een kernhoofdstuk in het boek en werpt nieuw licht op de sociale ongelijkheden die bepalen wie zich kan engageren en wie niet. Het boek, dat voortbouwt op de inzichten van de JOP‑grootstedelijke monitor, bundelt recente analyses over de leefwereld van jongeren in Vlaanderen en Brussel. In het hoofdstuk “Sociale verschillen in vrijwilligerswerk in een steeds diverser wordende samenleving” zoomt het VUB‑team in op wie vandaag formeel vrijwilligerswerk doet, en waarom sommige jongeren veel moeilijker aansluiting vinden.

“Engagement leidt tot meer engagement"

Uit hun onderzoek bij meer dan 2.300 jongeren blijkt dat formeel vrijwilligerswerk – engagement binnen een organisatie – sterk sociaal bepaald blijft. Jongeren uit gezinnen met een hogere sociaal‑economische status doen beduidend vaker vrijwilligerswerk, terwijl jongeren met een Turkse of Marokkaanse achtergrond aanzienlijk minder deelnemen. Hoewel gender op zichzelf weinig verklaart, worden de verschillen veel uitgesprokener zodra gender gecombineerd wordt met andere ongelijkheden. Volgens Fien Pauwels betekent dit dat jongeren die zelf tot kwetsbare groepen behoren, ondervertegenwoordigd blijven in organisaties die zich vaak net richten op maatschappelijke kwetsbaarheid. “Sommige jongeren zijn ondervertegenwoordigd in organisaties die zich net actief inzetten voor mensen in moeilijke posities,” zegt ze. Bovendien wijst ze erop dat ongelijkheden elkaar kunnen versterken: meisjes met een Turkse achtergrond hebben bijvoorbeeld een nóg kleinere kans om vrijwilligerswerk te doen dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. Pauwels benadrukt daarbij het effect van beeldvorming binnen organisaties: “Jongeren met een migratieachtergrond worden nog te vaak niet gezien als de ‘ideale vrijwilliger’, en daardoor worden ze minder gerekruteerd.”

Een opvallende bevinding in het onderzoek is dat jongeren die al informeel betrokken zijn – door vrienden te helpen, zorg op te nemen of huishoudelijke taken uit te voeren – veel sneller de stap zetten naar formeel vrijwilligerswerk. Ook jongeren die lid zijn van een vereniging vinden makkelijker hun weg naar georganiseerd engagement. Fien Pauwels formuleert het helder: “Engagement leidt tot meer engagement. Jongeren die zich op één of andere manier inzetten voor anderen en hun omgeving, zijn sneller geneigd om dat ook in een formele context te doen.” Dat staat haaks op de tijdsschaarstehypothese, die stelt dat jongeren te weinig tijd zouden hebben om verschillende vormen van engagement te combineren. In de VUB‑data isdaarvan weinig te merken: engagement in de ene context blijkt juist een opstap te zijn naar engagement in een andere. Volgens Pauwels kunnen organisaties hierop inspelen door drempels te verlagen en flexibele instapmomenten te voorzien: “Als jongeren zonder veel organisatie of regels af en toe kunnen instappen, groeit hun engagement op een natuurlijke manier verder.”

Fien Pauwels

Fien Pauwels

“De socialisatie door het onderwijs bepaalt sterk wie kansen krijgt om aan vrijwilligerswerk te doen.”

Daarnaast blijkt onderwijs een bijzonder sterke voorspeller van deelname aan vrijwilligerswerk. Leerlingen in arbeidsmarktgerichte opleidingen (BSO) en richtingen met dubbele finaliteit (TSO) engageren zich veel minder dan jongeren in doorstroomrichtingen (ASO). Die verschillen hangen samen met tijdsdruk, beperktere netwerken en de manier waarop jongeren al dan niet worden benaderd door organisaties. Volgens Pauwels speelt het impliciete beeld van de ‘ideale vrijwilliger’ hierin een grote rol: dat beeld sluit doorgaans aan bij jongeren met een hogere sociale status en zonder migratieachtergrond, waardoor anderen minder vaak als vanzelfsprekende vrijwilligers worden gezien. “De socialisatie door het onderwijs bepaalt sterk wie kansen krijgt om aan vrijwilligerswerk te doen,” legt Pauwels uit. “Wie lijkt op de mensen die al actief zijn in vrijwilligersorganisaties, wordt sneller gezien als vanzelfsprekende vrijwilliger.”

De onderzoekers besluiten dat vrijwilligerswerk jongeren kan versterken, maar dat het vandaag nog te vaak bestaande ongelijkheden reproduceert. Er is nood aan lagere drempels én aan een bredere erkenning van informeel engagement als waardevolle vorm van betrokkenheid. Pauwels vat de kern van het onderzoek scherp samen: “Jongeren krijgen niet dezelfde kansen om aan formeel engagement te doen. Wie ongelijkheid wil aanpakken, moet kijken hoe organisaties die ongelijkheid zelf mee in stand houden én hoe jongeren die zich al engageren aangemoedigd kunnen worden om dat verder te zetten.”

"Ongelijkheid beperkt zich niet tot vrijwilligerswerk, maar werkt door in andere domeinen van het leven"

In het oorspronkelijke hoofdstuk kwamen ook organisaties en jongeren zelf aan het woord. Hun inzichten sluiten aan bij de bevindingen van Pauwels: jongeren voelen zich vooral betrokken wanneer ze zich veilig, gezien en erkend voelen, wanneer ze eigenaarschap ervaren en wanneer hen vertrouwen wordt gegeven. Engagement werkt het best wanneer het flexibel en laagdrempelig wordt aangeboden, zodat jongeren op een haalbare manier kunnen instappen. Erkenning blijkt daarbij vaak een krachtigere motivator dan financiële prikkels of formele verwachtingen. Samen tonen deze elementen hoe organisaties hun rekrutering en ondersteuning inclusiever kunnen maken.

Het boek maakt tenslotte duidelijk dat ongelijkheid zich niet beperkt tot vrijwilligerswerk, maar doorwerkt in andere domeinen van het leven van jongeren. Jongeren uit financieel kwetsbare gezinnen, meisjes en jongeren met een beperking hebben minder autonomie en minder toegankelijke vrijetijdsplekken, terwijl verenigingsdeelname voor sommigen juist extra druk kan veroorzaken. Ook in de hulpverlening worden jongeren geconfronteerd met drempels zoals schaamte, onbekendheid, wantrouwen of onduidelijkheid over waar ze terechtkunnen. Deze bredere context toont aan hoe belangrijk het is om vrijwilligerswerk niet los te zien van de structurele ongelijkheden waarmee jongeren in hun dagelijks leven worden geconfronteerd.