De International Conference on Robotics and Automation in Wenen, waar onderzoekers uit de hele wereld jaarlijks hun verwezenlijkingen presenteren, heeft een in het oog springende traditie: de robotparade. De bonte stoet die door de conferentiehallen trekt, wordt elk jaar langer. En almaar vaker krijgen de robots een menselijk uiterlijk.
Bij mij thuis ziet de robotparade er vooralsnog minder indrukwekkend uit. Een stofzuig- en dweilrobot, een robotmaaier en een robot die de ramen wast, zitten vol sensoren en slimme software om efficiënt hun werk te doen, maar ze hebben toch hun beperkingen. Mijn stofzuigrobot kan niet zelf naar de eerste verdieping wandelen. Vergeet ik een deur te openen? Dan wordt die ruimte simpelweg niet gepoetst. En de ramenrobot springt nog niet Spiderman-gewijs van het ene raam naar het andere. Elk toestel blinkt uit in één taak, maar vraag het niet plots iets anders te doen.
"Probeer maar eens in regeltjes te omschrijven hoe een robot een kinderkamer moet opruimen"
Daar zit de aantrekkingskracht van humanoïde robots: één machine die een waslijst aan taken uitvoert, in onze leefomgeving. Die omgeving is afgestemd op ons lichaam. Een groter probleem is dat klassieke programmatie niet volstaat voor de variatie aan taken en situaties waarmee zo’n robot wordt geconfronteerd. Probeer maar eens in regeltjes te omschrijven hoe een robot een kinderkamer moet opruimen. Fysieke AI is een veelbelovende technologie om meer flexibiliteit te bereiken, maar de stap naar echt mensachtige vaardigheden is aanzienlijk.
Rodney Brooks, een roboticapionier aan het Massachusetts Institute of Technology, wijst erop dat robots niet alleen de finesse van onze handen missen, maar ook het gevoel voor kracht en aanraking. Dat ze dat zullen leren door video’s van menselijke handelingen te bekijken, noemt hij wishful thinking. Vooruitgang zal dan ook niet uit data alleen komen. Ze vraagt om een integratie van sensoren, actuatoren en AI: robots die kijken én voelen, die bewegen én hun kracht doseren, en die leren door te dóén, in de echte wereld. Zover zijn we nog niet.
Die scepsis remt de investeringsgolf allerminst. In 2025 haalden roboticabedrijven wereldwijd 40,7 miljard dollar op, goed voor 9 procent van alle durfkapitaal. Daarmee positioneert de sector zich naast AI als begeerd investeringsdomein. Met zoveel middelen kan het ontwikkeltempo alleen maar versnellen. Toch geloof ik niet in een ChatGPT-moment voor robotica. Humanoïde robots zullen niet van de ene dag op de andere transformeren tot universele assistenten. Het gaat stap voor stap. Dat betekent niet dat robots pas nuttig worden als ze perfect functioneren. Zelfs beperkte capaciteiten kunnen waarde creëren, thuis en in de industrie.
Aan het einde van de robotrace wacht wellicht geen wereld met één type alleskunner, maar een bonte stoet van humanoïde robots, die veelzijdiger zijn dan de huidige huishoudrobots, maar toch specialisaties hebben. Net zoals er vandaag niet één auto bestaat, maar een waaier aan stads-, bestel- en sportwagens.