Vlaanderen heeft alles in huis om nieuwe biotechbedrijven voort te brengen: toponderzoekers, sterke kennisinstellingen en internationale erkenning. Toch dreigt een groeiend tekort aan risicokapitaal de volgende generatie innovaties te fnuiken. Jan Steyaert pleit voor een fundamentele koerswijziging.
Als (mede)oprichter van drie succesvolle Vlaamse biotechbedrijven (Ablynx, Biotalys, Confo Therapeutics) en geëngageerd wetenschapper moet ik aan de alarmbel trekken. Vlaanderen dreigt zijn positie als biotechregio te ondergraven, omdat er onvoldoende middelen beschikbaar zijn om nieuwe bedrijven op te starten. De reden is eenvoudig: durfkapitaalfondsen mijden almaar vaker vroege en risicovolle investeringen, terwijl de overheid onvoldoende initiatief neemt om dat financieringsgat te dichten.
Na drie succesvolle start-ups werken we vandaag aan een nieuw, veelbelovend spin-offverhaal. Onze businesscase kon rekenen op de steun van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO), het Agentschap Innoveren & Ondernemen (Vlaio) en Innoviris, een organisatie die innoveren in Brussel ondersteunt. En op Europees niveau ontvingen we de meest prestigieuze onderzoeksbeurs, aangevuld met twee proof-of-conceptfinancieringen voor valorisatie. Aan onafhankelijke, internationale peerreview geen gebrek.
Maar om van een wetenschappelijke doorbraak een succesvol biotechbedrijf te maken, is een aanzienlijk risicokapitaal nodig. Wereldwijd krijgen we de kans ons verhaal te brengen. Er wordt aandachtig geluisterd en onze businesscase wordt ernstig genomen. Maar nadat alle informatie is geanalyseerd, volgt vrijwel altijd hetzelfde antwoord: te vroeg. Dat is investeerdersjargon voor: het risico is nog te groot.
Vervolgens krijgen we de raad om ons project verder te ‘de-risken’. Maar de essentie van durfkapitaal is net risico nemen. Als niemand nog bereid is dat risico te dragen, worden de biotechbedrijven van morgen eenvoudigweg nooit opgericht.
Grenzen
Er zijn grenzen aan wat een toponderzoeker, samen met zijn omkadering bij het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) en de VUB, aan wetenschappelijke en translationele geloofwaardigheid kan opbouwen én aan de financiële middelen die wij kunnen mobiliseren. Al twee jaar financieren wij in onze onderzoeksgroep een twaalfkoppig team met industriële ervaring, uitsluitend om onze businesscase te de-risken. Daarbij kunnen we dan wel rekenen op de steun van het FWO, Vlaio, Innoviris, de VUB, het VIB en de EU, maar ook die financieringskanalen staan onder druk en kunnen het gebrek aan privaat risicokapitaal niet blijven compenseren.
Om ons nieuwe bedrijf van de grond te krijgen, zijn we als academici genoodzaakt de opbrengsten uit eerdere succesvolle spin-outs opnieuw risicovol te investeren. Niet om kennis op te bouwen of wetenschappelijke doorbraken mogelijk te maken, maar om het risico van al succesvol gevalideerd onderzoek verder af te bouwen, zodat investeerders alsnog bereid zijn in te stappen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Financiële opbrengsten uit succesvolle valorisatie moeten dienen om de volgende generatie innovaties mogelijk te maken, niet om het gebrek aan beschikbaar risicokapitaal te compenseren.
In een gezond innovatiesysteem nemen ondernemers en onderzoekers het wetenschappelijke en technologische risico, terwijl investeerders het kapitaal verschaffen om veelbelovende innovaties naar de markt te brengen. Dat evenwicht verschuift almaar meer: onderzoekers worden gedwongen ook het financieringsrisico te dragen, terwijl kapitaal pas beschikbaar komt wanneer een groot deel van het risico al is verdwenen. Daardoor dreigt de motor achter toekomstige innovatie te sputteren.
Ook de (kleinere) Vlaamse investeringsfondsen zijn het slachtoffer van de machtsverhoudingen in de internationale kapitaalmarkt. In het verleden stonden ze in voor de seed funding , het eerste kapitaal voor een start-up, en namen ze de grootste risico’s op zich. Maar als grotere internationale fondsen in een latere fase instappen, blijken die vaak niet bereid om dat vroege risico naar waarde te honoreren met een significante waardestijging in de volgende financieringsrondes. Daardoor wordt het rendement van de eerste investeerders uitgehold en verliezen lokale fondsen de mogelijkheid om nieuwe bedrijven te financieren.
Hetzelfde geldt voor de oorspronkelijke knowhow en de intellectuele eigendom die de oprichtende onderzoekslabo’s hebben ingebracht. Die vormen het fundament van het bedrijf, maar worden in latere financieringsrondes niet altijd naar waarde geschat.
Een innovatie-ecosysteem kan alleen functioneren als wie het eerste risico neemt ook een eerlijke beloning krijgt als een project slaagt. Vandaag is dat evenwicht zoek. Als Vlaanderen nog biotechkampioenen wil voortbrengen, moet het opnieuw durven te investeren in risico.
Radicale innovatie
De vraag is ook of onze publieke investeringsinstrumenten hun oorspronkelijke opdracht nog voldoende vervullen. Gimv - ooit opgericht om ondernemerschap en innovatie in Vlaanderen aan te jagen - investeert een aanzienlijk deel van haar middelen buiten Vlaanderen en is nog nauwelijks zichtbaar in nieuwe biotechverhalen. PMV wordt ingezet voor grootschalige strategische investeringen, waaronder de overname van Brussels Airport, en jaarlijks vloeien vele miljarden euro's naar steunmaatregelen voor gevestigde bedrijven, onder meer om hun energiekosten te compenseren.
Dat zijn op zich verdedigbare keuzes. Strategische sectoren ondersteunen is belangrijk. Bestaande economische activiteiten beschermen heeft zijn plaats. Maar innovatie vraagt ook een bewuste keuze. Tijd dus om kleur te bekennen. Willen we vooral de sectoren van gisteren ondersteunen, of willen we ook investeren in de ondernemingen die Vlaanderen morgen welvaart brengen?
De verstandigste weg ligt wellicht in het midden. Vlaanderen moet zowel zijn bestaande economische sterktes koesteren als blijven investeren in radicale innovatie. Maar zonder voldoende risicokapitaal voor jonge bedrijven dreigt onze wereldvermaarde biotechsector langzaam zijn voedingsbodem te verliezen.
De middelen zijn er. Wat ontbreekt, is de keuze om een groter deel ervan te investeren in de toekomst. Of gaan we Vlaamse innovatie laten financieren met Amerikaans risicokapitaal en de winsten uitkeren aan Amerikaanse aandeelhouders?
Bio
Jan Steyaert is professor in de structurele biologie aan de VUB en Wetenschappelijk Directeur van het VIB-VUB Center for Structural Biology. Zijn innovatieve toepassingen van nanobodies – kleine, krachtige antilichamen – als moleculaire hulpmiddelen, heeft onderzoekers wereldwijd in staat gesteld om dynamische eiwitten in specifieke functionele conformaties vast te leggen. Zijn huidige werk richt zich op het ontwerpen van Nanobodies als onderzoekstools in de biotechnologie en moleculaire farmacologie, en op de ontdekking van nanobodies om geneesmiddelen te ontwikkelen. Jan Steyaert is medeoprichter van Ablynx en Agrosafve, en oprichter van ConFo Therapeutics, drie succesvolle VUB biotech-spin-offs die de unieke familie van Nanobodies valoriseren in de landbouw of therapie. Op 27 juni ontving hij de prestigieuze Anfinsen Award op het congres van The Proteïn Society voor zijn baanbrekend onderzoek. Eind dit jaar start hij een nieuwe spin-off in de Bio Incubator Brussels.