Pioniersstudenten – dat zijn studenten wiens ouders geen hogere opleiding hebben genoten en die als eerste binnen hun gezin een hogere studie aanvatten, hebben het niet onder de markt als ze de middelbare school verlaten: ze vinden minder vlot hun weg naar het hoger onderwijs en als ze al hun kans wagen, dan zijn hun slaagkansen lager dan bij studenten die uit een gezin komen met minstens één ouder die een diploma hoger onderwijs heeft. Twee studenten Agogische Wetenschappen van de VUB onderzochten in hun eigen universiteit in hoeverre het huidige ondersteuningsaanbod voor pioniersstudenten van de Vrije Universiteit Brussel aansluit bij hun noden en welke drempels ze ondervonden.

De twee masterstudenten, Laila El Mesbahi en Buzuryam Kassymova, met als promotor professor Tom Vanwing, slaagden erin om in het kader van hun masterthesis Duurzaam naar de unief: Een exploratief onderzoek naar de beleving van pioniersstudenten aan de Vrije Universiteit Brussel, niet minder dan 186 VUB-studenten warm te maken om deel te nemen aan het onderzoek. 

Cijfers van Statistiek Vlaanderen geven aan dat leerlingen met een laagopgeleide moeder voor de helft minder deelnemen aan het hoger onderwijs in vergelijking met leerlingen met een hoogopgeleide moeder (Statistiek Vlaanderen, 2022). “De kans dat een student als eerste binnen het gezin daadwerkelijk afstudeert, is drie keer kleiner dan voor de studenten waarvan één of beide ouders een diploma hoger onderwijs behaald hebben”, weet Buzuryam Kassymova uit cijfers van de Raad Hoger Onderwijs uit 2018. 

“Een mogelijke verklaring zijn de structurele ongelijkheden in toeleiding naar en binnen het hoger onderwijs”, vult haar collega Laila El Mesbahi aan. “Unia wijst er in haar Diversiteitsbarometer van 2018 op dat sociaaleconomisch achtergestelde groepen en personen met een beperking nog steeds lager geschoold blijven.”

“Van de deelnemende pioniersstudenten gaven meer dan 63 % aan dat ze geen ondersteuning kregen bij hun studie in hun rechtstreekse omgeving en 65 % dat er financiële drempels waren”, zegt El Mesbahi. “Tegelijk maken pioniersstudenten meer dan twee keer meer gebruik van de sociale en/of financiële diensten van de universiteit dan de niet-pioniersstudenten (respectievelijk 36.9% en 16.3%). Voor het buddy systeem (studenten helpen andere studenten) waarin de universiteit recentelijk voorziet, is de verhouding verrassend genoeg omgekeerd, de pioniersstudenten (3.1%) gebruiken deze dienst ongeveer vijf keer minder dan de niet-pioniersstudenten (14.4%). Het systeem is dus nog veel te weinig bekend bij pioniersstudenten: slechts een kleine dertig procent van de respondenten heeft weet van het bestaan ervan terwijl dat bij niet-pioniersstudenten meer dan de helft is.” 

El Mesbahi en Kassymova stelden daarnaast een grote variabiliteit vast aangaande het bekend zijn met andere services die door de VUB worden aangeboden, gaande van over de 80 % die bekend zijn met Studiebegeleiding tot amper 6 % voor bijles. De pioniersstudenten zijn over het algemeen minder op de hoogte van de bestaande diensten dan de niet-pioniersstudenten, met uitschieters voor het bestaan van een kinderdagverblijf (-12.4%) en het al eerdere vernoemde buddysysteem (-33.6%). Ook het bestaan van bijlessen (-20.5%), de sociale/financiële diensten en de workshops van de studentenverenigingen zijn minder bekend (ongeveer -12%). 

Tegelijk zien de onderzoekers dat, wanneer de pioniersstudenten de diensten wél kennen, ze vaak zeer sterk gemotiveerd zijn om er ook gebruik van te maken. “Het gaat dan vooral over workshops en buddyprojecten die werken rond ondersteuning (20,3%)”, zegt professor Wolfgang Jacquet, die de studenten hielp bij hun statistische analyses. “Ook bij de workshops die handelen over een positiever zelfbeeld (20,3%), over effectiever studeren (25%) en over een beter begrip van het hoger onderwijssysteem (17,2 %), was de interesse bij pioniersstudenten groter dan die van de niet-pioniersstudenten,waar zo goed als niemand gemotiveerd was om deel te nemen aan dergelijke workshops en buddyprojecten.”

Voor het academiejaar 2019-2020 schreven zich in totaal 3092 nieuwe studenten in op de VUB. Hiervan zijn 22,3 % geïdentificeerd als pioniersstudent. De meeste pioniersstudenten schrijven zich in voor de opleiding Toegepaste Taalkunde. Die opleiding telt 34,8 % eerste generatiestudenten. Daarna volgen de opleidingen Psychologie en Educatiewetenschappen en de Rechten, Notariaat en Criminologische Wetenschappen met 28,9% pioniersstudenten. De opleiding die het minste pioniersstudenten telde voor het academiejaar 2020-2021 is Geneeskunde met 11,1%.

“De VUB voert een inclusief beleid in tegenstelling tot een doelgroepenbeleid, en dit in eerste instantie omdat de VUB vooral studenten niet wil stigmatiseren” geeft professor Gert Sonck, hoofd Studiebegeleiding van de VUB, verdere duiding bij de resultaten van het onderzoek.“Een doelgroepenbeleid vereist namelijk het onderbrengen van studenten in groepen, of vragen dat studenten zichzelf tot een groep zouden verklaren.”

“Als doelgroepen gebruikt worden, wordt bepaald welke doelgroepen belangrijk zijn en welke niet voor een ondersteunende actie”, aldus Sonck.“Daarbij ga je onvermijdelijk studenten stigmatiseren en dreigen ook andere studenten die ook noden hebben uit de boot te vallen. Op de VUB willen weàlle studenten zo goed mogelijk meenemen in ons onderwijs- en onderwijsondersteuningsaanbod. In de humanistische visie van de VUB is elke student belangrijk. Een inclusief beleid kan en moet wél ondersteund worden door monitoring van doelgroepen, om na te gaan of we belangrijke kansengroepen niet bereiken en om het inclusief beleid te evalueren en fijn te stellen.”

Daarom verwelkomt Sonck ook de studie van deze masterstudenten. “We stellen vast dat de VUB instroom zeer divers is en de VUB er in slaagt zeer verschillende groepen naar het hoger onderwijs toe te leiden. We moeten daaraan toevoegen dat uit onze monitoring blijkt dat er in de doorstroom nog drempels zijn. Deze studie brengt nieuwe inzichten en kansen om ons ondersteuningsaanbod verder te versterken.”