De bekende Nederlandse Taalunie (NTU) heeft een nieuwe deskundige geselecteerd voor haar Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren: Professor Rik Vosters, die momenteel de vakgroep Linguistics and Literary Studies van de Vrije Universiteit Brussel voorzit. Hij treedt toe tot een groep van twaalf experten met diverse achtergronden die het Comité van Ministers in Vlaanderen en Nederland adviseren over allerhande taal- en taalbeleidkwesties. Hij is bovendien één van de jongste leden en treedt in de voetsporen van illustere VUB-taalkundigen die hem voorgingen, zoals prof. dr. em. Roland Willemyns.

"Het is een uitdagende kans, die ik met veel plezier aanneem. Het werk van de Taalunie is wel bekend bij Nederlandstaligen in België en Nederland, maar ik denk dat mensen zich niet realiseren hoe breed het werkterrein van de Taalunie eigenlijk is", legt professor Vosters uit.

Het is waar dat het Nederlands vaak onderschat wordt in zijn verspreiding en gebruik. Het wordt wereldwijd door 24 miljoen mensen gesproken. De taal heeft een officiële status in België en Nederland, maar ook in de Nederlands-Caraïbische landen, Sint-Maarten, Aruba en Curaçao, en in Suriname. Het Nederlands staat ook in de top 40 van meest gesproken talen ter wereld — geen onbelangrijke positie als je weet dat er wereldwijd meer dan 6.000 talen worden gesproken —, en op de 8ste plaats van meest gebruikte talen in de Europese Unie.

Maakt dit de Nederlandse Taalunie verwant aan de misschien bekendere — sommigen zouden zeggen: 'beruchtere' — Académie Française? "Er is een heel duidelijk onderscheid tussen het werk van de Taalunie en dat van veel andere instellingen die aspecten van taal trachten te ‘reguleren’, zoals de Franse Academie. Om te beginnen is de Taalunie eigenlijk niet echt de 'hoeder van de Nederlandse taal', hoewel ze wel instaat voor de officiële spellingnorm. De Taalunie werd pas in 1980 opgericht als een intergouvernementele organisatie, in samenwerking tussen de Nederlandse en de Vlaamse overheden, om kennis, capaciteit en mankracht te bundelen ter wille van het Nederlands als gedeelde taal. Spelling is daar slechts een onderdeel van, al draagt ze wel veel symbolisch gewicht. Het is een succesverhaal dat het Nederlands een eengemaakte officiële spelling heeft, wat vanuit louter taalkundig oogpunt misschien niet zo belangrijk lijkt, maar het maatschappelijke belang was én is groot: het creëert een gevoel van eenheid, van een gedeelde taal."

Het werk van de Taalunie gaat echter veel verder dan spelling en het uitgeven van het beroemde 'Groene Boekje', de spellinggids die wordt gebruikt door studenten, docenten en iedereen die niet zeker weet hoe een Nederlands woord gespeld moet worden. Het actieterrein van de Taalunie situeert zich in grote lijnen op vijf gebieden: ervoor zorgen dat het Nederlands zo efficiënt en effectief mogelijk wordt beschreven (bijv. grammatica en woordenschat), gebruikt (o.a. digitaal) en voor iedereen beschikbaar wordt gesteld; het adviseren van overheidsinstanties en andere actoren over Nederlandse taalkwesties; het bevorderen van het gebruik van het Nederlands in verschillende sectoren; het ondersteunen van het onderwijs Nederlands binnen het taalgebied én daarbuiten; en het actief promoten van de Nederlandse taal en cultuur op internationaal vlak.

Die internationale uitstraling en reikwijdte van het Nederlands is bij de meeste moedertaalsprekers in België en Nederland grotendeels onbekend. Er heerst een algemene perceptie dat het Nederlands een 'kleine taal' is, waarbij mensen vaak hun schouders ophalen en zich luidop afvragen wat überhaupt het nut is van Nederlands leren. Toch zijn er zo'n 14.000 studenten Nederlands buiten de zes landen waar het een officiële taal is. De taal wordt onderwezen in zo’n 130 universiteiten en onderwijsinstellingen in meer dan 40 landen. Dat is behoorlijk indrukwekkend. En allemaal krijgen ze op de een of andere manier steun van de Taalunie: vaak is er financiële steun voor het opzetten van leerstoelen Nederlands aan universiteiten, maar ook taaldocenten worden op allerlei vlakken bijgestaan, er is toegang tot digitale taaltechnologische toepassingen, en ook vertaalwoordenboeken van en naar het Nederlands worden mede op initiatief van de Taalunie ontwikkeld.

Wat betekent deze benoeming bij de Taalunie persoonlijk voor professor Vosters? "Voor mijzelf verwacht ik dat mijn toetreding tot de Taalunie me kan helpen om te blijven vechten voor een zaak die mij na aan het hart ligt, namelijk de studie van het Nederlands in het hoger onderwijs. De laatste 10-15 jaren is het aantal studenten dat voor een taal- of letterkundige richting kiest aan alle Vlaamse en Nederlandse universiteiten ongelofelijk sterk gedaald — en dus ook voor het Nederlands. Dat is een trend die me enorm veel zorgen baart. Ook al stellen we het aan de VUB nog beter dan aan sommige andere universiteiten. Aan de VU in Amsterdam heeft de hele BA-opleiding Nederlands zelfs de deuren moeten sluiten, en dergelijke beslissingen hebben natuurlijk verregaande gevolgen. Het tekort aan mensen met een talendiploma is nu al erg zichtbaar op de arbeidsmarkt: vacatures voor taalleerkrachten blijven openstaan, en we krijgen regelmatig telefoontjes van wanhopige directeurs die op zoek zijn naar een goede leerkracht Frans, bijvoorbeeld. Maar ook buiten het onderwijs is de vraag erg groot naar taalprofessionals en literatuurkenners met kritische geest en scherpe pen. De tewerkstellingscijfers voor onze opleidingen Taal- en Letterkunde en Toegepaste Taalkunde zijn historisch hoog."

Als actief lid van het Vlaams Talenplatform wil professor Vosters dit werk ook bij de Taalunie graag voortzetten, om de waarde van het Nederlands en van andere talen voor het bedrijfsleven, de arbeidsmarkt en de samenleving als geheel te bevorderen. "Het Nederlands wordt niet per se 'bedreigd' door het Engels, maar het wordt wel bedreigd als studierichting, omdat mensen de economische meerwaarde van een talenopleiding laag inschatten. Niets is minder waar: talen zijn van onschatbare waarde voor de economie en voor onze welvaart, en de arbeidsmarkt schreeuwt om mensen met talige expertise. Werkgeversorganisaties zoals VOKA zijn daarom ook onze beste bondgenoten in dit verhaal, want zij beseffen meer dan wie ook wat een doorgedreven talenkennis waard is. En dat geldt ook voor het Nederlands: niet alleen in België en Nederland, maar over de hele wereld. Nederlands is geen minderheidstaal, maar een ‘kleine wereldtaal’ die haar plaats verdient in de curricula van universiteiten en hogescholen over de hele wereld, maar uiteraard ook in de Lage Landen."