Doctoraatstudenten in de Sociologie Abel Ghekiere (VUB) en Louis Lippens (UGent) ontwikkelden, samen met Prof. Pieter-Paul Verhaeghe en Prof. Stijn Baert, een nieuwe methode om de achterliggende redenen van makelaars om te discrimineren te kunnen onderzoeken. De onderzoekers konden zo voor het eerst reacties van makelaars bekijken, nadat zij via een zogenaamde mystery mail een discriminerende vraag van een verhuurder ontvingen.

De resultaten geven weer dat meer dan tien procent van de geteste makelaars inging op de vraag. Zij antwoorden dat er een selectie gemaakt kan worden op basis van etniciteit. Maar bijna de helft van de geteste makelaars gaat niet in op de discriminerende vraag en geeft aan dat ze zelf geen selectie zullen maken op basis van etniciteit. Een groot deel vraagt wederom het gesprek per telefoon verder te zetten of maakt indirect de weg vrij voor mogelijke discriminatie door de klant.

Het experiment bestond uit een scenario dat vergelijkbaar was met dat van het mystery calls experiment van Verstraete en Verhaeghe (2020). In de e-mail zelf vroeg een fictieve klant eerst aan de makelaar of deze kon helpen met wat praktische zaken bij het verhuren van een huis. Vervolgens vroeg de klant of de makelaar kon helpen met het vinden van de juiste huurder en vermeldde hij vervolgens dat hij liever niet aan kandidaten met een migratieachtergrond wou verhuren. De e-mails werden verstuurd vanaf een e-mailadres met een Vlaamse naam. 200 e-mails werden verstuurd over de loop van een maand in februari 2020.

Ghekiere: “De makelaar die dit verzoek ontvangt en vervolgens een discriminerende selectie maakt, handelt tegen de antidiscriminatiewetgeving in en is dus strafbaar. Door mails uit te sturen met een discriminerende vraag kunnen we de intenties tot discriminatie van makelaars capteren, analyseren en categoriseren.

De meerderheid toont geen intentie tot discriminatie

De meerderheid van de makelaars, zo wijst het onderzoek uit, gaat niet in op de vraag. Maar geven soms indirect wel de weg vrij tot discriminatie.

  • 27 procent doet dit op een directe manier door bijvoorbeeld te verwijzen naar antidiscriminatie-wetgeving.
  • 20 procent gaat niet rechtstreeks in op het discriminerende verzoek van de klant, maar maakt wel de weg vrij voor mogelijke discriminatie door de klant. Lippens: “Deze makelaars zijn zelf niet bereid om te discrimineren, maar leggen aan de klant uit dat de uiteindelijke keuze aan hen is. Door deze optie neer te schrijven, kan discriminatie in latere fasen van het verhuurproces nog steeds voorkomen, niet door de makelaar maar door de klant. Dit gedrag is echter niet strafbaar of onwettelijk.” 
  • De resterende 40 procent gaat niet in op de discriminerende vraag of vraagt om te bellen in plaats van te mailen.

     

Duidelijker beeld van (woning- en) arbeidsmarktdiscriminatie

Studies in verschillende Vlaamse steden tonen aan dat kandidaat-huurders met een migratieachtergrond significant minder worden uitgenodigd dan hun identieke tegenkandidaten met een Vlaamse naam. Om deze discriminatie te meten, maken verschillende studies gebruik van de ondertussen veelbesproken praktijktesten. Hoewel deze methode tot veel in staat is, meet het maar een klein deel van het huurproces waar discriminatie in kan voorkomen, namelijk de kans op een uitnodiging voor een plaatsbezoek. Waarom, hoe of door wie gediscrimineerd wordt,  wordt niet duidelijk bij het gebruik van deze praktijktesten.

Ghekiere: “Met deze testen kunnen we dit proces nu dus beter vervolgen. Het geheel van testen is nodig om, in combinatie met de praktijktesten, een duidelijk en compleet beeld te krijgen van  (woning- en) arbeidsmarktdiscriminatie. Zo kan men een gericht beleid voeren (trainingen geven, gericht sensibilisering, etc.) naar de achterliggende mechanismen van discriminatie evenals het uiteindelijk discriminerend gedrag.”

Het onderzoek werd gepubliceerd in Applied Economics Letters